Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichthitte, in zwart rookgekrinkel vlogen ze door het gat

tot in het kleine portaal.

En toen een gesmoord klots, klots, een dot bonkend gecadanseer van een week ding, vallend en stuitend in den val langs het hout van een trap, kwam stommelen naar binnen.

.... Doodsvlammen, doodsvlammen ....

Maar daar was een lach al aan het bulderen begonnen, een bezeten lach, een hard gehort van uitgestooten gelach, en ik zag bij de bovenste trede den jongen staan, voorover gebogen over het trapgat met de handen op den buik, krimpend en buigend en wringend en trappend met de voeten in zijn dol pleizier. 't Bloed zwol in zijn hals en ooren en hij sloeg met den kop, zijn oogen hadden het benauwd in hun holten; maar van zijn olievette opengebarsten lippen druischte zijn lach, schaterde zijn lach, bonkte en blèrde en hooggilde zijn lach, rauw als het geschetter uit een triomf-blazende trompet.

— „O, o!" proestte hij. „O God, o Jezus, kijk nou menheertje, ze wier levend, maar nou is z' er geweest.

O kijk toch, kijk" ....— , .

En ik keek, ze was dood. Heel beneden lag ze, schuin neêrgekomen na den tuimel, gevallen op de goorgele biesruiten van de vloermat onder aan de trap; plat lag ze zoo, plat op haar zij, donker, met den staart achter zich aan, als was ze doodgebleven in een bangen sprong.

En weêr als een ontdekking plotseling, zooals men iets zien kan voor de eerste maal, drong zich uit de laagte haar kleinheid naar mij op, zag ik weêr nu hoe ellendig

klein en mager dat ze was.

En langs de treden ging ik omlaag en ik buKte en raapte haar op van het vloermatje, terwijl boven door de trapholte het geweldige lachen van den jongen buitelen bleef en neervallen kwam over haar en mij, daar waar hij hoog op de trede nog stond uit te stuipen in een kramperig gehik van heetschokkende ademstooten.

Sluiten