Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II ij stond in zijn eentje te hengelen. Droog, lang, hoekig Hvan magerte, maar in zijn degelijke waterproefs, in de lenden met een trekker dichtgehaald, als in een huid voor hem veel te wijd; op het oude vlondertje thuis, stevig op zijn schuitvormige laarzenvoeten, stond hij'te loeren in he ï geklots van het Amstelwater. Naar het gespoe: van zijn rooden dobber, een eind ver in den stroom, hield hi, zijn rustigen rentenierskop gekeerd, met kalm geknepen oogen kijkend uit een door niets van zijn stukken te bren gen aangezicht, met turende oogjes u.t ■sen van leêr, verdroogd door rust en veel buitenlucht. Hij had den kraag van zijn zwarte regenjas opgezet tot over zijn oorlellen als de kraag van een kapotjas hoog, maar

pijpen van zijn pantalon omgeslagen met een breeden zoom, lieten de dikke enkelrimpels van zijn laarsschacht b oot.

't Weêr was buiig, het regende bij vlagen, doch hij stond aldoor hetzelfde, den buik een beetje vooruit, °"gevoehg voor nat of droog, als vergroeid met zijn verweerd vlon-

Was een drieplankig vloertje, dat steunde op twee nalen met dwarslegger donkere oude palen, vastgeplompt in het slib van den Amsteloever, wormstekig hout, rottig van 't eeuwige vochtgeklots en glibberig omknngeld met

eroen geslobber van aalkroos. ,ü„

En 't hinderde hem volstrekt niet als de regen tegen zijn rug aansloeg; telkens kwamen er nieuwe buien van uit

Sluiten