Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zuidwesten drijven, de wind was bijna vlak zuid, juist goed weêr om te hengelen. Over de weilanden, van den Schinkel, kwamen de buien waaien, over hem en den Amstel heen; hij begon als een paling te glimmen. Van zijn oud kaasbolletje, een hoed om meê uit visschen' ^ gaan, droop het regenwater zijn rug langs, en op zijn overlange, gekromde mouw, vol glimmende krooken in de buiging van den elleboog, en vandaar weer over het paarse stukje vieesch dat van zijn hand te zien kwam die den hengel hield 't Was een mooie stok, van glanzende [ie'> al

dunner uit-schuivend naar het einde, met bhkken kok.er;* aan elkaar geleed. Hij bewaakte een goed onderhouden spannetje hengels zoo, want, kijk vóór hem, stil tegen het vlonSértfe aangelegd, me, het dunne einde onder water gedompeld, voorzichtig, omdat hij bang was de visch te lullen verschrikken anders, kwam nog een hengelstok tusschen zijn beenen doorsteken. De snoer was maar half afgewonden, de dobber schommelde d'chter onderden wal een witte dobber met een rooden kop. Zoo lag de hengel onder zijn hand. Hij behoefde z'n ander gevisch niet te storen wanneer de dobber wat afdreef, hij had

maar even te bukken, als hij eens verleggen wou of meende

dat het daar nopte. ... • „u

Maar hij stond al-maar-door, stuursch in zijn natte visch-

achtig-glimmende zwartheid, kalm turend 'n het grau\\ opgeruide water, waarin de regen soms spiMseUpatte, <T stroom ging als gestuwd, ook wanneer de wind niet flakkerde, onder hem voorbij, met donkeropschu|vend watergevlak; de Amstel beroerd door buien hobbelde voort, de deining klotste en sloeg witte schuimstrepen voor de palen van zijn vlondertje uit, zijn dansende dobbers vroegen al

^Achter zijn hielen werd het jaagpaadje slijk, en daarachter de steenen straat van plassen glanzend in de kuilen van den rijweg. Voorbij de boomen, over de sloot heen, zwollen dé weiën weg, gedrenkt, sappig in een heerlijk en

Sluiten