Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit haar geopende flanken. En uitzwellend over den meerpolder, saamgerold, verdikte zij zich daar tot een boos blauwzwart, en slorpte toen in een bui van water de boerenhofsteden op tusschen boomgroepen tn het land en de torens der kalkovens aan de monding der Wees pervaart beefden in de verte onder het gezweep van

^Maar^met een verschen wurm aan den haak stond de hengelaar alweêr, éen hengel in den arm en de andere tusschen zijn beenen doorstekend, als gegroeid uit zijn Se onveranderlijk in zijn vischachtige zwartheid, te loeren' In het wilde Amstelwater naar z„n roode

d°Zacht' ruischte de regen uit; achter den hengelaar, over het land van den Schinkel, beefde alweer het zilverige grijs van den bleeken regenhemel, terwijl voor zijn niets dan de dobbers ziende oogen, de bui wegdreef gelijk een

^fd^kTe'beesten in het natte land vingen weêr aan te grazen, rustig, rein in den damp dien de regen naliet. De lucht' brak, de blauwe hemel kwam door de wolken schijnen even, een flets-blauw, teêr als van licht fayence of van het herfstluchten-blauw dat de mooie scholekster

inE^aaopVldef rijweg krioelden de oeverzwaluwen samen, ookomend als uit de sloot, schril scherende met hun wigvormige vleugels den slijkgrond langs; of zij zetten zich op hun lage, niet voor loopen geboren pootjes tus schen de plassen, al pikkend de regenpiertjes.

En od het jaagpad kwam een paard aansukkelen, en ruig in zijn oud tuig, met een moe-bengelenden en afgeleefden kop, de tong uit den mond; de jager liep er naast een verweerd man in een nat zwart pilo-pak, te8e" het oaard aangedrongen, schoorloopend tegen de schoft ÏJi phe, oude knollebeest, om het zoo te houden bmnen de smalle krommende baar van het jaagpad.

Sluiten