Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wouden van schoorsteentjes vlam-schichtend door den nacht.

De Bar straalt wit.

Stappen van beslagen schoenen klanken op het asphalt, dat van de groote straat waar 't blok Station bliksemend naar gekeerd staat met zijn slokkende ingangen, zijlings tusschen de glidsende voetpaden als in een wijde goot komt afloopen, naar hier, berild van vuur, spiegelend 't leven daar. Maar onder den zijmuur en onder de luchtbrug die zich vaststaaft in een muurgaping overzijdsch, de baan vries-donker moddert, dan roezig van nattigheid komend de schaduw uit, en breekt in weeke licht-schollen weer en wentelt verguldingen onder 't schijnsel van een straatvlam, om te vallen in een ruige square als in een land dat overstroomde. Een nieuwe voetstap brokkelt hol boven de zoo hellende straat, terwijl er een rookje vlokt, ondergronds opgeblazen, en verzweeft in de schaduw.

De Bar straalt dicht, gestolten boven de witte lichtschollen van de straat, onder de geluiderige schaduw van het Station.

Achter de lijst van muur en luchtbrug is het kleurgezicht dat het asphalt berumoert. In 't felle straateind drangt en draait het chroomgeel, 't cinnaber en 't groen van vinnige metaalroesten: omnibussen, bestreept, beletterd van reclames, als van zwatelende nieuwspapieren gebouwd, dragen de kudden menschen onder regenschermen voorbij;

over de karkassen gloeien de geveltjes bar met gladde ribben van geverfd hout. Daarboven is de nacht.

Al wat daar voorthaast, hoog en verwijderd op 't onzichtbaar plavei is bevlaagd van 't licht. Kaarsschijnen van sas, verinnigen onder de kille verstarringen van 'tmanige, rookelooze elektriek, dat harde raskaken en neuzen en ooren en monden die houten pijpjes klemmen, voorbij

Sluiten