Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doet gaan tot tronies in een droom geboetseerd. Snijdende schaduwtjes verholen oogen; hoeden, schermen en kleerplooien duisteren als inkt; schouders en knieen knoken naast paardkoppen en pooten ; handen van velerlei leeftijd glissen naar elkaar in den zakelijken loop; en als de kraag niet opstaat, het klatert om de halzen.

Vrouwen gaan met mannen, mode-kleeren poeffen p heupen en boezems; bloothoofdsche meiden sleuren de franjes van hun zwarte omslagdoeken over den vloer voorbij; de hoogbeenige pas van een rooden^ soldaat bloedt in den spiegel; nu met een Pochen '

het asphalt, een vrouw draalt voor den mond der straat. Ze draagt in de versombering der umbrella een hoe bewegelijk als de veêrtooi van een wilde op t gele haar. Een satijne, wier oogen glassen de dwarsstraat in, en die deJ geschulpten onderrok bloot tipt, spreekt haar aan; beiden gaan den kant uit dien ze zijn gekomen.

Goudlichten in de verpoedering van den gestagen regen schieten voorbij, kostbaar gevonk: cabbies, glans-lakkig als dekschilden van torren, rollen geruischloos op de gomme banden achter 't gerikketik van de paard)esKoetsiers achter over de verhemeling sturend, als ti lend het paard, hebben de voeten in dekens; een heer leunt even uit met krakende borst.

Bus rijdt aan bus; de geleiders schreeuwen maar wein g, theaters zeker al sloten, music-halls ook.... is het met of van 't scherpe vermaak daar, dat de grimas van den beenderigen dood niet smaadt tot ophouding van hetvleeze leven hier naschijnt onder 't elektriek .... en nog gaat er een kar bestapeld onder 't natte zeil als 'n machine op rollen, achter 'n breed-borstig paard met logge haam.

De helm in regenhuls, in zijn schoudermanteltje metalig, de vuisten in wanten, zwart, plomp en onaanrandbaar kom de politie-man staan; de dreg strengt zijn heett

een horlogeketting naast zijn kno°p en de «r/-band ordenend zijn mouw. Een schooierskind dat marde

Sluiten