Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem gaan verdrieten, of 't Ewig-Weibliche er hem tè modieus is, gaat hij naar de roosvleugelige flamingo's, die vlerk-kleppend voor hem zingen naar de zon van hun ver vaderland, en hij droomt er van Ganges en Nijl. Of wel hij vergeet zich voor de aquarium-glazen waar de visschen zijn en in hun element. Alle dichters worden bespookt van herinneringen; de ooievaar vliegt bij hen even goed over 't dak als de roekeloerende duiven en al is gezegd dat groote mannen niet geestig zijn, ze houden toch allemaal erg veel van katten, is het niet?

Er is nog wel een Hollandsch boek dat wij graag eens zoo ten geschenke zouden ontvangen. Mei. De jeugd, de lente, de illusie, die, de eeuw'ge jeugd van 't leven, als d' adem zelve der schoonheid is die over den dichter gaat. Mei, in zoo een boek; de ook uit water gesteeg'ne, de het land ingedraag'ne op zonne- en luchtewolken en dragende als een geuren-vracht de volksgeboortenis aan; Mei, zóo te hebben, omstoet van alles wat maar den vroegen zomer doorbloost.

Zeg, lieve lezeressen dezer Mei-aflevering, zou dat goed zijn; zou het goed zijn, minnaars van liefde en lente.

April 1897.

Sluiten