Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T N I. E r D I N G.

Een der voornaamste geschilpunten op godsdienstig gebied is in deze eeuw geweest heb geloof aan wonderen. Terwijl de orthodoxe richting dat geloof handhaafde en alle wonderverhalen, die wij in den bijbel vinden, voor verhalen van gebeurde zaken bleef beschouwen, meende men van moderne zijde, dat, daar tegenwoordig geen wonderen plaats hebben, — eene geheel onbewezen en onware meening, — het dus ook niet waarschijnlijk was, dat in vroegere eeuwen zulke feiten zouden hebben plaats gehad. Op den voorgrond werd gesteld de gedachte, dat God een God van orde is, dat Hij inet wijsheid de wetten en ordeningen der natuur heeft vastgesteld en dat het onwaarschijnlijk is aan te nemen, dat Hij zelf in die orde ingrijpen, die orde verbreken zou. De verhalen van doodenopwekkingen, van wonderbare genezingen, van feiten, die geheel tegen de gewone orde der dingen ingaan, moeten, volgens deze beschouwing, gehouden worden voor vruchten der dichtende fantasie, en uit het leven van den Heer Jezus Christus moet, volgens de consequentie van dit idee, dan ook alles verwijderd worden wat wonderbaar en geheimzinnig is, zooals de verhalen van de opstanding en de hemelvaart, van de genezingen en andere wonderen door Jezus verricht.

De orthodoxe richting echter kwam met nadruk in verzet tegen deze ontkenning der wonderen. Zonder op de vraag in te gaan of de wereldbeschouwing, waarbij het wonder voor onmogelijk gehouden moest worden, juist was, werd er door de woordvoerders dier partij op gewezen, dat met het wegvallen der wonderfeiten in het leven van Christus, met name van de opstanding, er van het Christelijk geloof al zeer weinig overbleef. //Indien Christus niet is opgestaan, dan is ons geloof ijdel,« herhaalde men met Paulus' woorden; en stelde in het licht, dat bij een wegvallen van de opstanding des Heereu ook de geheel eenige beteekenis van Christus verviel en daarmee het fondament, waarop de Christelijke kerk gebouwd is.

1

Sluiten