is toegevoegd aan uw favorieten.

Het gebied van het geheimzinnige

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vau moderne zijde werd hiertegen aangevoerd, dat men niet de openbaring Gods in natuur en geschiedenis ontkende, maar alleen het miraculeuze, het bovennatuurlijke, dat men met het tegennatuurlijke en onnatuurlijke, met het onzinnige gelijk stelde; dat men de geheel eenige grootheid van Jezus niet loochende, maar slechts de verhalen voor verdichting hield, die een aureool om zijn hoofd hebben gevlochten en hem tot een bovennatuurlijk wezen maakten. Men ijverde er voor oin metterdaad te toonen, dat 't loochenen der wonderen niet insloot een verwerpen van allen godsdienst, en legde zich toe op meer ware vroomheid van hart, onafhankelijk van dogma s.

Het hiel]) niet. De moderne richting was door de wonderontkenning geteekend als de richting van het ongeloof, en alle godsdienstig leven van die zijde werd van de zijde der orthodoxie beschouwd als waardeloos en schijn.

ïntusschen werd — en wordt — niet ten onrechte door modernen aan de orthodoxen de inconsequentie verweten, dat zij de bijbelsche wonderen geloofden, doch alle wonderverhalen buiten den bijbel voor verdichting hielden. Één van beiden moest men doen, zoo werd en wordt beweerd: of alle wonderen, ook die der heiligenlegenden enz. erkennen, of ze allen verwerpen. Door alleen de bijbelsche wonderen te erkennen toch deed men het geloof aan wonderen berusten op het bijbelgezag, dat zelf berustte op 't geloof aan de ingeving des bijbels, dus aan een wonder.

In dezen strijd, die helaas, nog steeds de Christeuheid verdeelt, lag de kracht der modernen voornamelijk in de bewering, dat de ervaring leerde, dat wonderen onmogelijk zijn. De "wetenschap», zoo meeude men, had uitgemaakt en bewezen, dat tooverij, waarzeggerij en wonderen in strijd zijn met de orde der natuur, en de ervaring bevestigt het ons dagelijks, dat alles wat geschiedt plaats grijpt volgens de onveranderlijke en onverbrekelijke wetten der natuur. De heldere stralen der natuurwetenschap, zoo meende men, zouden weldra de laatste nevelen van bijgeloof en daarmee het geloof aan wonderen verdrijven.

ïntusschen — deze verwachting is nog niet vervuld: en alles wijst er op, dat zij ook niet vervuld zal worden. Ja velen, die vroeger met het Modernisme dweepten, of zelfs tot Atheïsme en Materialisme vervielen, zijn nu /'bekeerd* tot het geloof in het