Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en menschen met elkander gemeen hebben, waar zij elkander

naderen kunnen.

Bestaat er zulk een terrein?

Om op die vraag het antwoord te vinden is het noodig ons af te vragen, wat eigenlijk de mensch is; uit welke deelen h^j bestaat, en wat van zijn wezen bij den dood hein ontvait. Daaruit kunnen wij dan het besluit trekken, wat hij na den dood nog behouden heeft, en dus op welk terrein menschen en geesten elkander

naderen kunnen.

De mensch is allereerst «en ding, zooals er vele dingen of

lichamen in de natuur zijn, hij beslaat plaats, bestaat uit stofdeeltjes, die zich weder van hem verwijderen kunnen en door anderen vervangen worden. 1T , , , De mensch is verder een levend organisme. Het leven, de

geheimzinnige in planten en dieren werkende macht, regeert ook in hem; door dat leven wordt zijn organisme in stand gehouden; daardoor kan er eene gestadige stofwisseling plaats hebben, zonder dat het organisme als zoodanig te loor gaat.

Verder heeft de mensch een zenuwstelsel, dat reageert op uitwendige, stoffelijke indrukken. Hoe vreemd, geheimzinnig dit zenuwstelsel' no- wezen moge, het is in zijn bestaan niet te loochenen, en het is "zoo goed als bewezen, dat al de indrukken, waarvan wij ons bewust worden, door de zenuwen worden overgebracht naar de hersenen, waar ze tot bewustzijn komen van den mensch.

De mensch heeft verder bewustzijn van zichzelven; hij is meer dan een «ding», meer dan een levende plant. Hij is, evenals het dier een bewust wezen. De zenuwen brengen de indrukken naar de hersens, waar zij het karakter van gewaarwordingen verkrijgen; d i de mensch wordt iets gewaar, hij wordt zich bewust een indruk ontvangen te hebben. Wij kunnen dit bewustzijn «de ziel" noemen.

Doch dit put het ïnenschelijk wezen nog bij lange na niet uit. Naast en boven het bewustzijn staat het verstand of de rede, dat schijnt te zetelen in de hersens, en daar als een koning regeert, en de indrukken regelt, groepeert en beoordeelt. Verder is de mensch begaafd met wil, of vrije zelfbepaling z.jner daden. Handelt het dier eenvoudig naar zijn instinct, d. i. naar zijne ingeschapen, hem aangeboren neigingen, de mensch, ofschoon ook met zulk een

Sluiten