Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als zaligen, in eene onbegrijpelijke, ver boven het gewoon menschelijke verheven heerlijkheid «juichen voor den troon», of wel in een «poel van vuur en sulfer* gepeinigd worden «tot in alle eeuwigheid», of wel volgens de roomsche leer, in het vagevuur hunkeren naar de verlossende aflaten, die hunne bloedverwanten voor hen koopen zullen van de alles vermogende, over alles beschikkende kerk.

Lang, eeuwen lang is het leven, dat op het sterven volgt, gehuld geweest in de lijkwade des graf». De Israëliet zoo goed als de heiden huiverde terug voor den dood, want «in den dood is geene gedachtenis» zoo irieende men. De «schimmen» der dooden dronken uit de Lethe en vergaten het leven; zij waren geen inenschen ineer, maar schimmen, ontastbare schaduwen zonder bloed, zonder warmte, zonder leven.

Het Christendom bracht in deze naargeestige opvatting van het bestaan der afgestorvenen slechts weinig verandering.

In de eerste twee eeuwen wachtte men op de opstanding, die naar men meende spoedig zou plaats hebben. Alle verwachtingen van een hemelsch Jeruzalem, van een hemelsche zaligheid in onverderflijke heerlijkheid knoopten zich vast aan de echt joodschfarizeesche en tevens echt oud-christelijke verwachting van eene opstanding uit de graven bij het slaan der bazuin.

Later, toen die verwachting op den achtergrond geraakte, en men ook over den staat des menschen na den dood begon na te denken, vermengde men de oud-heidensche en oud-israëlitische voorstellingen met de christelijke. De Tartarus werd de hel, de elyseesche velden het Paradijs. De opstanding en het. laatste oordeel werden achteruitgeschoven en de leer van hemelsche zaligheid en helsche rampzaligheid trad op den voorgrond, later aangevuld door de leer van het louteringsvuur. Zoo beleed de kerk de leer van hel, hemel en vagevuur, en de fantasie begon de hel met fantastische kleuren te schilderen.

De hervorming schrapte het vagevuur uit de lijst,'doch liet overigens de begrippen onveranderd. De groote kloof tusschen het aardsche leven, het leven der menschen, en het geestelijke leven, het leven der geesten, bleef bestaan. De strakke en vreeslijke leer van eene onherroepelijke beslissing bij den dood van eeuwig wel of

Sluiten