Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en meenen, dat het hetzelfde zijn zal voor hen of zij goed of slecht geleefd hebben.

Tegen deze oppervlakkigheid nu komt het Spiritualisme met kracht in verzet. Het bevestigt in de hoofdzaak de leer der kerk; alleen geeft het eene meer aannemelijke, meer redelijke voorstelling van de rampzaligheid hiernamaals. Volgens het Spiritualisme zal ieder rampzalig worden na het sterven, die in zijn aardsche leven de zedewet verkracht heeft op het een of ander punt of in alle punten. Niet, omdat daar een soort rechtbank gehouden wordt, waarvoor men verschijnen moet, en waardoor men dan gevonnisd wordt, inaar omdat ieder zijn inwendig geestelijk wezen meeneemt naar de overzijde, en krachtens den aard van het geestelijke ook zich niet op eens losmaken kan van de neigingen en hartstochten, die hem beheerschen; terwijl de geest, in zijne herinnering, alles, alles bewaard heeft, wat in het aardsche leven is geschied. Bij het licht der geestelijke wereld leert men nu dat leven en elke handeling daarin op de juiste waarde of onwaarde schatten; de debet- en creditzijde van de groote levensrekening wordt door de ziel zelf, als bij instinkt, geheel naar waarheid opgemaakt, en het eindcijfer wijst onverbiddelijk de juiste plaats aan, waar de mensch in de geestelijke wereld behoort te zijn

Hieruit volgt reeds terstond, dat er in aard en graad der rampzaligheid een zeer groot verschil moet bestaan. Daar toch de verhouding, waarin de verschillende rnetischen staan tot de zedewet en de ware godsvrucht, zeer verschillend is. en de rampzaligheid een gevolg is van elks bijzonderen toestand, zoo volgt daar noodzakelijk uit, dat ook die rampzaligheid voor den een heel anders van aard en graad zijn moet dan voor den ander Ken andere zal de toestand zijn van deu booswicht, en een andere de toestand van deu gewonen wereldling; een ander zal het lot zijn van den in het kwaad verharde en een ander dat van den gewonen onbekeerde. Ja ook moet het invloed uitoefenen of de zonde in het aardsche leven tot daad, tot misdaad is geworden, dan of zij slechts als neiging, als hartstocht heeft gewoed. Den driftkop, die in zijn drift een doodslag beging, inoet een ander lot wachten dan den driftkop, die voor zulk een daad is bewaard gebleven. En omgekeerd moet het lot van den slechtaard, die velen tot kwaad verleidde, al bleef hij zelf misschien van misdaad vrij, toch anders zijn dan van

Sluiten