Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deii in de zoude gevallen, tot misdaad verleiden, maar niet geheel verdorven persoon.

Welnu, de onthullingen, die het Spiritualisme, op grond der manifestaties, ons geeft, bevestigen geheel deze veronderstelling, Xiet een hel met brandend vuur voor allen, maar eene duizendvoudige verscheidenheid van toestand; wel voor allen rampzalig, doch zeer verschillend in aard en graad. Ja het blijkt, dat de straf der zoude als gevolg der zonde ook geheel aan den aard der zonde beantwoordt, zoodat in de meest volkomen zin des woords, elk «maait wat hij zaait.»

Wanneer wij de mededeelingen raadplegen, die door mediums tot ons komen aangaande den toestand der ongelukkige geesten, dan is het in al die mededeelingen duidelijk, dat elk «loon naar werken» ontvangt; in. a. w. dat de wet der causaliteit of onzakelijkheid in de geestelijke wereld heerscht evengoed als in de stoffelijke. Het is, b. v. een zeer gewoon geval, dat een gestorvene niet weet, dat hij gestorven is. Dit is een gevolg van de onkunde aangaande het lot des meuschen na den dood. Men denkt 6f, dat de dood vernietiging is; 6f dat men zal slapen in het graf, of dat tnen zal «juichen voor den troon» of dat men zal koinen in »den poel des vuurs.» En nu komt de stervensure, de mensch wordt vrij van het stof, doch bezit nog een lichaam, het etherische of geestelijke lichaam, dat echter geheel aan het oude lichaam gelijk schijnt, en dus allicht ook er voor aangezien wordt. Hoe zal nu de mensch tot het inzicht komen, dat hij het stoliichaam afgelegd, dat hij gestorven isP Hij kan t niet gelooven, en protesteert er ten sterkste tegen als 't hem gezegd wordt. Deze toestand wordt echter op den duur een bron van ellende. Hij wil zijne bezigheden hervatten, maar kan het niet, en moet het dulden, dat. anderen zich met zijne zaken bemoeien, in zijne papieren snuffelen, zijn eigendom zich toeëigenen, enz. enz. Hij wil zich uiten, spreekt, schreeuwt, stoot, enz, doch alles te vergeefs; niemand bemerkt hem. Hij is levend dood; terwijl hij levend tegenwoordig is, wordt over hein als overeen doodegesproken. Ten slotte wordt deze toestand ondragelijk, en de aan de aarde gebonden en toch van het aardsche leven uitgesloten geest ziet uit naar verlossing, naar een slaken van de banden, die hem aan de aarde binden.

Sluiten