Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Militair Strafrecht en de Wet op de Krijgstucht in het Staatsblad opgenomen, na een ruim zestienjarigen arbeid van den onvermoeiden ontwerper, Mr. H. van der Hoeven. En nog laat hunne invoering op zich wachten, totdat het militair procesrecht gewijzigd is. Dit procesrecht dateert van 1814 en is vervat in de Provisioneele Instructie voor het Hoog Militair Gerechtshof en in de Rechtspleging bij de Zeemacht en bij de Landmacht, welke wetboeken nog de Grimineele Ordonnantiën van Philips II tot grondslag hebben. Het is derhalve geheel verouderd en niet meer geschikt om de invoering der nieuwe materieele wetgeving mogelijk te maken. Vandaar dat onze Regeering blijkens de mededeelingen van den Minister van Justitie in de stukken, gewisseld bij de Staatsbegrooting voor 1903, het formeele recht belangrijk wil wijzigen. Intusschen wil zij van eene vervanging door een nieuw wetboek niets weten om de invoering van het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet op de Krijgstucht niet tot een onzeker en nog ver verwijderd tijdstip te verschuiven en meent zij bij de wijziging van enkele belangrijke onderdeelen van het proces de principieele vraag, of en in hoeverre er eene afzonderlijke rechtspraak voor militairen moet zijn, in 't midden te moeten laten. Immers de Minister zegt, dat hij nog niet van zijne meening is teruggekomen „dat afschaffing van de afzonderlijke militaire rechtspraak in vredestijd onraadzaam zou zijn." Men meent de belangrijkste vraag te kunnen laten rusten, doch vergeet, dat hiermee de quaestie niet opgelost, maar alleen de oplossing ervan verschoven wordt.

Mr. H. van der Hoeven dacht ook deze primaire vraag te kunnen ontgaan, toen hij in de Memorie van toelichting behooiendi bi) het Gewijzigd ontwerp van Wet tot voorloopige regeling van de rechtsmacht van den militairen rechter schreef: „En ook de belangrijke vraag of de militaire rechter bij voortduring competent zal blijven om zelfs in vredestijd over commune misdrijven te oordeelen, zal thans nog buiten behandeling moeten worden gelaten. Zij zal de eerste en eene van de meest fundamenteele quaestiën zijn, die bij de herziening van het formeel recht ter sprake zullen komen." Als de minder principieele vraag omtrent de uitgebreidheid der competentie reeds terzijde gelaten wordt, spreekt het van zelf. dat over de afschaffing van de militaire rechtspraak gezwegen wordt. Trouwens bij de behandeling van het Wetboek van Militair

Sluiten