Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderzoek, in hoeverre het militair strafproces kan voldoen aan de eischen van het moderne strafproces.

Ten einde ook de lezers, die uithoofde van hunne betrekking minder bekend mochten zijn met het moderne strafproces en zijne eischen, in staat te stellen hierover een oordeel te kunnen vellen, voor zooveel dit in verband met het militaire strafproces noodig is, zal ik in de Inleiding van de Tweede Afdeeling eene vluchtige schets van het moderne strafproces en de desiderata dienaangaande geven.

In de Derde Afdeeling zal ik nagaan, wanneer het blijkt, dat het militaire strafproces niet aan de eischen van het moderne strafproces kan voldoen, of militaire belangen wellicht, ondanks de minderwaardigheid van het militaire strafproces, een afzonderlijken rechter voor militairen vorderen. Ik zal daarbij de verschillende gronden en belangen, welke gewoonlijk worden aangehaald 0111 de noodzakelijkheid van de militaire rechtsmacht te bewijzen, onderzoeken en wegen. Hiervan hangt ten .slotte al, hoe naar mijne meening de beslissing zal moeten luiden omtrent de vraag, of er al of niet eene afzonderlijke rechtspraak voor militairen moet zijn. Staat of valt om een voorbeeld te noemen, de krijgstucht met de al of niet handhaving van den militairen rechter, dan zal, wijl de krijgstucht volgens Napoleon „est la première qualité du soldat, la valeur n'est que la seconde", — de militaire rechtsmacht moeten blijven bestaan, ook al geeft zij minder waarborgen van rechtszekerheid aan de justiciabelen.

Meer over den aard en den vorm van dit werk te zeggen, acht ik hier niet op zijne plaats. Alleen nog de opmerking, dat in de volgende bladzijden niet over de rechtspleging bij de zeemacht wordt gesproken, wijl ik daarover niet met voldoende kennis van zaken kan oordeelen. Ik verwijs belangstellenden naar het praeadvies van den Kapitein ter Zee J. P. van Rosslm voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging in 1900 uitgebracht, naar diens andere geschriften over de militaire rechtspraak en naar die van den Officier van Administratie le Klasse bij de Zeemacht C. J. Blok.

Naar mijne meening bestaat er geene voldoende reden, waarom ' er voor Zee- en Landmacht dezelfde rechtspleging moet zijn. De samenwerking der beide deelen onzer weermacht is immers niet van dien aard, dat de overigens verschillende om-

Sluiten