Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

üe burgers, met privilegien begeven, wijl zij de vorsten geld opbrachten, hadden een tegenzin in het krijgvoeren en wisten daaraan te ontkomen. De vorsten hielden voornamelijk door het geld, dat de burgers opbrachten, staande legers in hun dienst, waardoor hun gezag aanmerkelijk toenam. Enkele duizenden mannen, uit alle oorden vaak uit het slechtste deel der bevolking geworven, daar de krijgsdienst slecht in aanzien stond, hadden dan de beslissing over het lot van een geheel volk in handen. Dit waren de echte beroepssoldaten, die overal, waar oorlog was, hunne diensten aanboden, ook al omdat zij gewoonlijk op korten termijn gehuurd waren en na het sluiten van den vrede ontslagen, elders een bestaan moesten vinden. Dat zoodoende het oorlogvoeren meer en meer buiten de bevolking omging, die grootendeels alleen de gelden verschatte, had tengevolge, dat de oorlogen jaren, tientallen van jaren, duurden en ten slotte de rijkdom van een volk in den oorlog den doorslag gaf. Doch daardoor werd het leger afgezonderd van de burgerij; het vormde eene categorie in den staat, dikwijls met andere belangen dan de overige categoriën der bevolking; het werd eene noca universitus, gelijk Mr. L. P. van den Spiegel opmerkte Hoewel dit de basis was, waarop het krijgswezen berustte, had het verschil van staatsinstellingen en staatsinrichting tengevolge, dat er in verschillende staten niet dezelfde legervorming bestond.

En nog meer verschilde het rechtswezen in die staten. Naar mijne meening omschrijft J. D. Meijer zeer juist liet karakter van den Franschen Staat, van het Duitsche Rijk en van onze Republiek, ik zal mij hoofdzakelijk tot deze landen bepalen — als hij zegt *): „En France, les Rois, dépourvus de 1'autorité nécessaire, se sont vus contraints de lutter, d'abord contre les grands vassaux, ensuite contre le corps de la noblesse, enfin contre la magistrature; au lieu de les réduire a de juste bornes, il les ont du subjuguer pour ne pas obéir eux-mêmes; et la France était dévenue un état despotique, faute de force sufïisante pour la maintenir monarchique. En Allemagne, le pouvoir impérial avait, dés les premiers ternps, succombé a celui des grands vassaux; la monarchie avait disparu;

') In zijne Promemorie bij F. A. van der Kemp, Magazijn van stukken tot de militaire jurisdictie betrekkelijk, VIII blz. 330.

-) Esprit, origine et progr&s des institutions judiciaires, III blz. 8- 9.

Sluiten