Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een of meer regimenten hadden. Deze troepen werden, zoo het te pas kwam, ook in buitenlandschen dienst gesteld, teneinde geldelijke inkomsten te verkrijgen. Zoo leverden Hannover en Celle in 1701 aan Holland 4074 man en 't volgend jaar aan Engeland 8420 man. En de landgraaf van Hessen-Cassel stelde toen 11000 man ter beschikking van Engeland en Holland ')• Tengevolge van den berooiden toestand der Oostenrijksche geldmiddelen moest de markgraaf Lodewijk van Baden in 1703 aan den Keizer melden dat de infanterieregimenten door gebrek aan recruten zoodanig waren geslonken, dat hij niet ermee kon uittrekken. Reeds in 1(532 had men beproefd, in navolging van Frankrijk, een militieleger te vormen, doch deze en volgende pogingen mislukten allen tengevolge van de versnippering van het Duitsche Rijk -).

Eerst in 1081 weid bij een Reichs-Matrikel te Regensburg uilgevaardigd, een rijksleger van 40000 man opgericht, bestaande uit 10 kreiscontingenten 3). De verschillende staten moesten door een Matrikular-Beitrage deze troepen bekostigen. De Kreis-Obersten zorgden ervoor, dat het contingent bijeenkwam. Hoe dit geschiedde, kan blijken uit het volgende. De „Schwabische Kreiss" stelde 1321 ruiters en 2707 voetknechten, bijeengebracht door 4 geestelijke en 13 wereldlijke vorsten, 19 rijksprelaten, 20 graven en heeren en 31 rijkssteden. De officieren van eene der compagnieën van dit contingent werden benoemd door den magistraat van Gemünd, dien van Rotlnveil, de abdis te Rothenmünster en den prelaat van Gengenbach. Van eene compagnie leverde Walkenried 18, Schwarzburg 87, Stolberg 30, Barley G, Reuss 45 en Schönburg 12 man. De Keizer had het opperbevel over dit rijksleger als „GeneralOberst", het eigenlijke bevel voerde de „Reichs-Feldmarschall".

De soldaten waren in dienst der vorsten, die naar goedvinden over hen beschikten. Het huurleger-systeem was nergens meer dan hier doorgevoerd, hetgeen ook aan het absolutisme der vorsten moet toegeschreven worden. Later, toen enkele vorsten op liet einde der 18° eeuw hunne landslieden als soldaten aan Engeland verhuurden, sprak men niet geheel ten onrechte van lijfeigenschap.

') Beckek, t. a. p. blz. 8.

Zie hierover Max Jühxs, t. a. p. II blz. 1004—1082.

'■') Zie hierover uitvoerig A. von Loën, Die Kriegsverfaasung des Deutschen lleiehes und des Deutschen Bundes, (1(568—18(50) blz. 1—10.

Sluiten