Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De werving had nu binnen- en buitenslands plaats tegen eene afwisselende koers, naarmate er vraag en aanbod was. Om buitenlandsche soldaten te kunnen werven, moesten er niet de souvereinen, in wier staten men wilde werven, capitulatiën — zoo noemde men deze overeenkomsten — worden gesloten, behalve, wanneer de souverein zich bij verdrag verbond een geheel korps, uitgerust en van eene bepaalde sterkte, te leveren. Gewoonlijk waren bij vreemde troepen ook vreemde officieren, meestal in de capitulatie nader bepaald. In liet begin van den tachtigjarigen oorlog bestond het leger grootendeels uit een boopje berooide vreemdelingen en in 1020 was het nog niet veel beter. „Het leger," aldus de Bordes 1), „bestond uit eenige Nederlandsche regimenten, doch voor het grootste gedeelte uit vreemde gehuurde troepen. De Staten-Generaal hadden Engelsche, Schotsche, Fransche, Duitsche en Waalsche regimenten in dienst, die of als hulpbenden afgestaan of op kosten der Staten in dienst genomen waren." In 1072 was bet nog weinig veranderd, al hadden ook tijdelijk tengevolge van de omstandigheden een grooter aantal landzaten dienstgenomen. Van de ruim 120000 man, die de Republiek tijdens den Spaanschen successieoorlog in dienst had, werden in 1713 de vreemde troepen en een aantal eigen compagnieën „een en ander circa 90000 man bedragende" 2) ontslagen. En in 1772 bestond de Infanterie, behalve uit 29 regimenten Nationalen en Duitschers, waarvan de helft Duitschers waren, uit 3 regimenten Schotten, 6 regimenten Zwitsers en 1 regiment Walen :!). Voeg daarbij, dat, terwijl de vreemde regimenten geheel uit vreemdelingen waren samengesteld, de nationale regimenten tal van vreemdelingen telden, die vroeger bij de vreemde regimenten aangeworven en met dezen ontslagen, zich persoonlijk bij de nationale troepen hadden verbonden. En de burgers, die dienst namen, behoorden niet tot het beste deel der natie. Er was derhalve niet in het minst eenheid in de samenstelling van het leger.

Doch bovendien was er een veelhoofdig bestuur. De Staten-Generaal hadden wel het oppertoezicht over de troepen, doch alleen in dien zin, of het quotum, dat elk gewest in dienst moest hebben,

') T. a. p. blz. J0. 2) Hardenberg, t. a. p. blz. 18. ") Hardenberg, t. a. p. blz, 52.

Sluiten