Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hun Guarnisoen, of agter lande trekkende, onder hun Vendel, ofte als 't te doene sal weezen van den eenen Soldaat tegen den anderen, ende dit in alle zaaken ende afleyren soo capitaal als niet capitaal."

De Staten van Holland droegen, 11 Juli 1575, aan Willem van Oranje de souvereiniteit gedurende den oorlog op, o. m. „om over alle Krijgszaken te Water en te Lande te disponeeren naar zijn goeddunken". Evenwel beperkten diezelfde Staten bij Ordonnantie van 18 September 157(5 de rechtsmacht der „Capiteynen" tot de gevallen, „indien 't Delict sua natura geheel militair is, of bij den eene Soldaat op den anderen geschiet is" ')■

Bij de Unie van Utrecht was het krijgsbeheer eene generale aangelegenheid geworden, welk beheer bij de Instructie voor den Raad van State van 18 Augustus 1584 opgedragen werd aan den Raad van State en aan Zijne Genade, waarmee Prins Maurits werd bedoeld. Tot dit beheer behoorde de kennis en judicature over alle militaire zaken, alsmede de zorg voor het onderhouden van goede orde en discipline L!). Gedurende het korte bestuur van Leicester berustte de judicature over de militie bij dezen.

Na het vertrek van Leicester kwam het militaire beheer weer aan den Raad van State en aan Prins Maurits. Men schijnt in 15'JO aan eene regeling van de militaire jurisdictie gedacht en daarom geene bepalingen daaromtrent in den Articulbrief van 115 Augustus 1590 opgenomen te hebben. Verschil van gevoelen tusschen Maurits en de Staten was oorzaak, dat het niet gebeurde en de ongeregelde toestand bleef voortduren ').

Ook bij de Instructie van 1588 werd aan den Raad van State de „dispositie over de zaken en 't Volk van oorlog" opgedragen, doch bij art. 3:2 hadden de provinciën zich voorbehouden, „om in tijden van nood, enz. order te stellen op de zaken gesteld ter dispositie van den Raad" en worden uitdrukkelijk onder die zaken genoemd „de Discipline militair en 't straffen van alle Excessen".

') V. n. Kemp, t. a. p. I blz. 35, Rensdorp, t. a. p. Bijlage A, die beweert, dat de Ordonnantie bij provisie gearresteerd en nooit in gebruik geweest is (blz. 16/17).

■) Artt. 3 en 10 der Instructie bij V. d. Kemp, t. a. p. I. blz. 53—54. 3) V. I). Kemp, t. a. p. 1 blz. 121—123 en 133—143.

Sluiten