Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan. In stadhouderlooze tijden verdween dit college, dat in 1G72 weer in 't leven geroepen, in October 1700 van Koning Willem eene summiere instructie ontving, waarin de procedure bepaald was.

Na den dood van Willem 111 beriep men zich opnieuw op de Resolutie van 1051, doch de militaire rechters hielden niet alleen met alle kracht hun eens verkregen positie vast, maar wisten langzamerhand zelfs de meening ingang te doen vinden, dat hunne jurisdictie, evenals die van den gewonen rechter, universeel en niet exceptioneel was. Zoo zegt Mr. Waelwijk auditeur-militair te Rreda in zijn brief van 15 Februari 1749 aan Mr. J. Wybo, Advocaat-Fiskaal van de Generaliteit, dat de militie hier te lande „als een byzonder liuyshouden, niet alleen met relatie tot de Justitie, maar in 't algemeen ende in alles op zig zelfs bestaande, moet worden aangezien even zoowel als het borgelyke Huyshouden '). In gelijken zin wordt in de Memorie aan de Staten-Generaal van 14 Mei 1772 door Willem V betoogd2).

De strijd aangaande de militaire jurisdictie werd heviger en toen het stadhouderlijk gezag daalde, ten nadeele van de voorstanders eener universeele militaire rechtspleging beslist. De Staten van Holland bepaalden bij hunne publicatien van 30 April en 30 Mei 1713 3), dat de Hooge Krijgsraad geen jurisdictie meer in dat gewest bezat, terwijl de Staten-Generaal bij Resolutie van 24 December 17S3 dat college afschaften '). Tegelijkertijd werd de bevoegdheid van den militairen rechter aanmerkelijk beperkt.

Terwijl men nu twistte, hoever de bevoegdheid van den militairen rechter zich uitstrekte, heeft in facto de militaire rechter eene universeele bevoegdheid gehad en ook in civiele zaken recht gedaan. Rendoup 5) zegt: „Wat aangaat de Administratie der Civile Justitie, alhoewel nergens duidelyk gezegd wordt, dat de militaire Jurisdictie zig mede over dezelve uitstrekke, zoo is 't evenwel buiten twyfel,

') V. d. Kemp, t. a. p. IV blz. 247—273... < zoo is do Jurisdictie van de Militairen zoowel als van Borgerlyke Regters in haar aart een eigen en Universeel rechtsgebied» zegt waelwijk, t. a. p.

'•') V. i). Kemp, t. a. p. VII blz. 47 vlg.

3) Gr. PI. Boek IX blz. 701—702. V. i>. Kemp, t. a. p. VIII blz. 445 en 470 1.

4) V. i). Kemp, t. a. p. VIII blz. 501—510. Nalezing, I. 1. blz. 333.

6) t. a. p. blz. 80. Op blz. 01 zegt hij 't zelfde nog eens met andere woorden.

Sluiten