Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezien, dat, hoewel Napoleon zich veel gelegen liet aan de totstandkoming van een militair wetboek, in Frankrijk tot 1857 een doolhof van wetten en verordeningen op dit stuk bleef bestaan. Tijdens de inlijving gold dit mengelmoes hier ook, maar wat natuurlijk en wijs was voor het gewone recht, zou voor het militair recht ongerijmd zijn geweest. Alen hou de Fransche militaire wetgeving, welke voor een deel provisioneel was en betwist werd, niet behouden, tot tijd en wijle een nationaal wetboek haar had vervangen. Te meer niet, omdat hier een paar eeuwen lang eene militaire wetgeving had bestaan, zeer verschillende met de Fransche, terwijl aanvankelijk de samenstelling van onze krijgsmacht in 1814 op denzelfden voet als vóór 1795 werd geregeld. Dat dit stelsel niet meer voldeed, wist men in 1814 nog niet. Er was derhalve behoefte aan een militair wetboek. „En in dit geval" — zegt de heer Moorrees ') in een advies op 28 December 1813 aan Van Maanen, den Eersten President van het Hoog Gerechtshof — „doed zien, hoe hoog noodsakelijk is een spoedige daarstelling van een militair wetboek. Ja, als ik mij niet verbeelde in staat te zijn, om den Vorst binnen 14 dagen een wetboek voor de landmagt en voor de zeemagt aan te bieden so goed, als ik het maken kan, en zo als het door de kundigste handen met mij is bewerkt, sou ik in waarhijt niet weten, wat te adviseren in een ogenblik, waarin de ondervinding ons sal leren, dat den militairen regter binnen weijnig tijd met werk ten aanzien van de landmagt sal worden overkropt. Want nu wil alles vegten, elk loopt te wapen, kundig of onkundig, en pas op, het geringste dat er gebeurd, gaan se lopen als hazen; den enen Commandant sondigt uijt doldriftig!#, den anderen uijt onkunde, den derden, omdat hij nog geen genoegzame kennis met de kogels gemaakt heeft, een vierden pleegd grote versuijmen uijt onagtsaamhijt, en so voort, dus ik zie binnen weijnig tijd, als de vijand ons maar

') Van df.r Hoeven, Onze militaire strafwetgeving (1884) blz. 28-29, deelt dit mee: mr. Moorrees was van 1800—1810 bijna onafgebroken in commissie geweest, laatstelijk met mrs. J. E. Reuvers en G. J. Jacobson om ontwerprailitaire wetboeken in gereedheid te brengen. Uit een anderen brief (bij van der Hoeven, t. a. p. blz. 25) blijkt, dat Moorrees, toen Reuvers tijdens de inlijving de concepten ten vure gedoemd had, «se nog even uijt de vlam gered heeft en se bewaart, men kon niet weten, hoe se nog te pas konden komen.» 1 )aarop doelt hij, wanneer hij zegt in 14 dagen een wetboek te kunnen aanbieden.

Sluiten