Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontrust, handen vol werk, en hoe dan? dan sul je misdaden hebben, gevangenen, gearresteerden, sonder wetboek 1), sonder regters; waar sal dat heen? Ik houde dus het acheveren van dit stuk in 't ogenblik, waarin wij zijn, also pressant als de constitutie, want ik voorzie nog wel, dat er een krabbelvuijstje sal voorvallen".

De Souvereine Vorst had op voordracht van den Commissaris Generaal van Oorlog reeds op 18 December 1813 eene commissie van 5 leden benoemd, om een ontwerp-militair wetboek samentestellen, welker commissie bij Besluit van 27 d. a. v. met twee leden — zeeofficieren — was uitgebreid op voorstel van mr. Moorrees, die president was geworden. Provisioneel werd bij Souverein Besluit van 30 December 1813, twee dagen, nadat Moorrees de Begeering voorhield, dat men straks „sonder wetboek" tal van militaire vergrijpen zou moeten berechten, het Beglement van 179!) ingevoerd, „voor zooverre de daarbij voorkomende qualificatie van misdaden en strafbepalingen aangaat", terwijl bij Souverein Besluit van 10 Januari 1814 eene provisioneele voorziening werd getroffen omtrent de wijze, waarop die misdaden zouden worden berecht. Aldus werd tijdelijk voorzien in de leemte van eene militaire wetgeving, die weldra door de werkzaamheden der commissie zou worden aangevuld.

Het Beglement van 1799 was een oorspronkelijk 2) wetboek, dooiden Frieschen rechtsgeleerde, Petrus Wiersma, ontworpen. De Fransche wetten van 13 en 21 brumaire an V (3 en 11 November 179G) zijn geraadpleegd. Het bleef tot de Fransche inlijving van kracht. De jurisdictie was beperkt tot de militaire delicten 3), voorzoover zij door militaire personen bedreven zijn4). De Staatsregelingen van 1801, 1805 en 180G °) huldigden nog wel dit gevoelen van den grondwetgever van 1798, maar er waren reeds velen van meening, dat ten onrechte de commune delicten aan den militairen

') Na het vertrek der Franschen meende men, dat vanzelf de Fransche militaire wetten waren afgeschaft of vervallen. Aldus dacht o.a. mr. Mookkees. Mr. Pols geeft eene verklaring, hoe men tot deze dwaling kwam, doch bevredigend is zij niet (Crimineel Wetboek, blz. 44). Zie ook van dek Hoeven, t. a. p. blz. 27.

2) Zie mr. Pols, Crimineel Wetboek, blz. 35 vlg.

3) Artt. 298—299 Staatsregeling 1798 en artt. 1, 4, vlg. van het Reglement van 1799.

4) Artt. 1—3 van het Reglement van 1799.

4) Artt. 86—87 Staatsregeling 1801; artt. 75—76 Staatsregeling 1805; art. 70 Constitutie 1806.

Sluiten