Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechter onttrokken waren. Artikel 3 van de vijfde afdeeling der constitutioneele wetten van 180(i liet aan den gewonen wetgever de regeling van de militaire jurisdictie over. Dientengevolge werd in 180G nog eene commissie benoemd, die bij Rapport van 8 April 1807 een „Ontwerp van een Crimineel Wetboek en van een Reglement van Krijgstucht voor het Krijgsvolk van het Koninkrijk Holland te Lande" ') aan den Koning indiende. De jurisdictie van den militairen rechter werd tot de commune delicten uitgebreid, wat eene grondwetsherziening noodig maakte. Wijl nu deze ontwerpen een grooten invloed bij de samenstelling onzer militaire wetboeken van 1814 en 1815 hebben gehad, laat ik hier de gronden volgen, waarop deze uitbreiding werd verdedigd2). Allereerst kon de commissie „nergens eene algemeene en klare bepaling oi' principe vinden, hetwelk in alle gevallen onderscheiden konde worden, welke misdaden in de Militairen als commune delicten en welke als Militaire moesten beschouwd worden." In de tweede plaats kon, nu „de oefening der Justitie zelve over het geheele Koninkrijk uit een algemeen point wierdt verzorgt, en overal in Naam van Uwe Majesteit ') wierde uitgeoefend, zoodat alle territoriale distinctie ophoudende, de Militaire regter evenzeer over alle delicten, door Militairen begaan, oordeelen als de burgerlijke regter over de commune delicten geoordeeld luidde." En ten slotte zou „menig Militair bij het bedrijven van geringe misdaden, behouden kunnen worden in den Militairen stand, daar de delicatesse van het Militair point d'honneur anders waande, dat iedere Soldaat gedeshonoreerd was, zoodra hij in handen van de Burgerlijke Bedienden der Justitie geraakt was" ')■

Ik volsta ten aanzien van den eersten grond met erop te wijzen, dat Napoleon, „de groote krijgsman", zooals Vreede zeide, dit wel

') Rapport en ontwerp zijn door mr. G. W. Viieede in 1842 met eene belangrijke voorrede uitgegeven.

-) Vreede t. a. p. blz. 38—44.

3) Lodewijk Napoleon.

') De «delicatesse van het militair point d'honneur» schijnt niet onveranderlijkte zijn, tenminste in Januari 1903 is bepaald, dat militairen, zoodra zij naar den krijgsraad verwezen zijn en zich in arrest bevinden, naar de Huizen van Bewaring moeten worden overgebracht, d. i. «in handen van de burgerlijke bedienden der Justitie». Dit wordt als eene verbetering voor die militairen aangemerkt. Zie ook de Handelingen van de Ned. Jur. Vereeniging (1881) I blz. 215 vlg.

Sluiten