Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij hebben deze gronden, zij liet in eenigszins anderen vorm, ook ontmoet in het Rapport van 8 April 1807 en daar besproken '), zoodat ik ze nu verder laat rusten. Eigenaardig is het slot van het pas aangehaalde uit het Rapport. Waarom alleen „de behoorlijke straffing der Commune delicten?" Had de Commissie, „en vooral die der Leden van deselve, welke Leden van de vorige Hoge Vierschaar geweest zijn, bij ondervinding", welk een rol de nietmilitaire auditeur in den krijgsraad speelde? Kwam het haar ook allerwenschelijkst voor, — en gaf zij hieraan uitdrukking —, dat de administratie der justitie, óók van militaire personen in handen van deskundigen moest berusten? Wat blijft er daarbij ten slotte over van „die enge Anlehnung an die Kommandogewalt", hier en elders telkens weer als het kenmerk der militaire rechtspraak genoemd :') ?

Men heeft in 1814 niet gedacht aan de afschaffing van den militairen rechter: de omstandigheden maakten het ook niet mogelijk. De legervorming wenschte men liefst als vóór 1795 en de gewone rechtspleging berustte op Fransche wetten. De militaire wetgeving in Frankrijk kon men niet overnemen, zelfs niet tot nader behouden. Het was een gelukkig toeval, dat bij een der leden van de vroegere commissie voor een militair wetboek nog concepten van de door haar samengestelde ontwerpen berustten, zoodat men met behulp daarvan in weinige weken een eigen militair wetboek verkreeg. „Zelden" — schrijft evenwel mr. Pols s) — „zelden waarschijnlijk heelt eene wetgeving zulk eene voortdurende en algemeene afkeuring ondervonden als de militaire wetgeving van 1815". Het waren echter voor het meerendeel technische gebreken, welke aanleiding tot zoo'n oordeel hebben gegeven. Reeds in 1815 deed zich een bezwaar gevoelen en in 1818 vestigde de Commissaris Generaal van Oorlog de aandacht op de wenschelijkheid om het Reglement van krijgstucht voor de landmacht te herzien en in 't

') Hiervoor blz. 75 vlg.

'') o. a. door kapitein P. P. c. collette op 28 Maart 1901 in de Vereniging ter beoefening van de krijgswetenschap, Verslagen blz. 40!»—549.

■') Crimineel Wetboek, blz. 52. Geheel anders oordeelde mr. Moorrees over grootendeels eigen werk. «Overigens» zoo schrijft hij 7 Febr. 1814 aan van Maan ex «verbcel ik mij, dat het stuk (d. i. het ontwerp-wetboek) so compleet is, dat bij geen der mogendheden van Europa iets dat daarna lijkent, sal kunnen vertoond worden».

Sluiten