Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgend jaar achtte hij eene herziening van het geheele militaire wetboek noodig, hetgeen in 1822 ook door een der samenstellers werd erkend 1). Bij Koninklijk Besluit van 2 October 1841 werd eene talrijke commissie benoemd om de militaire wetboeken te herzien, doch in 1848 ontbonden, na eenige jaren zonder resultaat te hebben gewerkt. Eene tweede poging is van lateren tijd. De toenmalige minister van justitie droeg in 1880 aan den Utrechtschen hoogleeraar mr. Pols de samenstelling van een nieuw militair wetboek op, die aanvankelijk de opdracht aanvaardde, doch zijne bereidverklaring weldra introk. Daarop werd de Leidsche hoogleeraar mr. H. van der Hoeven uitgenoodigd, die de hem opgedragen arbeid reeds ten deele zag totstand komen. Ik zal hier de geschiedenis van het Wetboek van Militair Strafrecht en van de Wet op de krijgstucht, vastgesteld bij de wetten van 27 April 1903, Stbl. 111 en 112, laten rusten en alleen nog een enkel woord wijden aan de herziening van het militair procesrecht. De „Voorloopige regeling van de rechtsmacht van den militairen rechter" door mr. van der Hoeven ontworpen, omdat het Crimineel Wetboek ook formeel recht bevat en derhalve het Wetboek van Militair Strafrecht anders niet kan ingevoerd worden, vond weinig bijval, naar het schijnt, ook bij den Raad van State, die de belangrijke vraag, of de militaire rechter bij voortduring competent zal blijven om zelfs in vredestijd over commune misdrijven te oordeelen, wenschte beslist te zien. Hij betwijfelde het zelfs, of de Staten-Generaal hunne medewerking tot eene voorloopige regeling zouden verleenen. Intusschen, de Regeering liet het Ontwerp eener Voorloopige regeling rusten, doch nn het materieele recht wettelijk is geregeld, is de herziening van het forineele recht zeer dringend. Tc verwonderen was het dus niet, dat in de troonrede van 1902 werd verklaard, dat de indiening van een wetsontwerp tot herziening van enkele punten in de militaire strafrechtspleging in den loop van het jaar kan worden verwacht. En de Minister van Justitie gaf nader te kennen2): „Een ontwerp tot herziening van enkele punten in de militaire strafrechtspleging heeft reeds het

') Enkele stappen tot herziening gedaan tusschen de jaren 1819 en 1841, die reeds in den aanvang tot niets geleid hebben, vermeldt mr. VerLoren van Thema at in zijn Praeadvies voor de Ned. Jur. Ver. 1900 (blz. 349—350.)

'•) In de Memorie van het Beantwoording van het IV Hoofdstuk der Staatsbegrooting 1903.

G

Sluiten