Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Departement van Justitie verlaten. Bij de samenstelling daarvan heeft de ondergeteekende zijne aandacht niet beperkt tot de procedure voor de krijgsraden — hoewel de verdediging der beklaagden in eersten aanleg wel een der voornaamste onderwerpen is, die daarbij in beschouwing zijn genomen — maar ook andere punten met name de samenstelling van de krijgsraden en de regeling van het appel, hebben mede lot ernstige overweging aanleiding gegeven." En verder: „ De ondergeteekende is nog niet teruggekomen van zijne meening, dat afschaffing van de afzonderlijke militaire rechtspraak in vredestijd onraadzaam zou zijn. Eene toezegging tot een voorstel om de berechting van commune delicten door militairen in vredestijd gepleegd, aan den burgerlijken rechter op te dragen, kan hij thans bij den stand, waarin de in uitzicht gestelde geheele herziening van de militaire strafrechtspleging zich op dit oogenblik nog bevindt, bezwaarlijk doen." Andermaal wordt dus eene voor. loopige regeling beoogd, evenwel van grooten omvang. Op welke gronden eene afzonderlijke rechtspraak voor militairen zal bestendigd blijven, vermag ik niet zeggen, evenmin of de Raad van State en de Staten-Generaal voor eene voorloopige regeling te vinden zijn. Wel meen ik te moeten zeggen, dat ik eene voorloopige regeling, welke mij intusschen voorkomt zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk, te treffen te zijn, zoude betreuren, gedachtig aan de Provisionele Instructie voor het Hoog Militair Geregtshof van 20 Juli 1814.

De Nederlandsche Juristen-Vereeniging heeft tweemaal deprincipieele vraag besproken. In 1881 sprak zij zich uit voor het behoud van den militairen rechter in vredestijd met betrekking tot zuiver militaire misdrijven met een kleine meerderheid (26 tegen 20 stemmen), evenwel onder beding, dat rechtsgeleerden zitting nemen in den krijgsraad, terwijl de commune delicten alsmede de gemengde misdrijven aan den gewonen rechter zouden komen. In 1900 besliste zij met 3!) tegen 20 stemmen, dat er in vredestijd geen afzonderlijke militaire rechtspraak noodig is, zelfs niet voor zuiver militaire delicten. Het behoud van den militairen rechter werd niet op rechts- maar op militaire gronden verdedigd. En wel in hoofdzaak, dat het militaire strafrecht het complement van het disciplinaire recht zoude zijn en ter handhaving van de krijgstucht de rechtspraak in handen van het militaire gezag moet berusten. In de Derde Afdeeling kom ik hierop uitvoerig terug.

Sluiten