Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verscheidene stelsels van strafrechtspleging zijn langzamerhand ontstaan, waarvan echter twee op den voorgrond treden. Naar het eene stelsel beslist de rechter, nadat hij van de beide partijen in het strafproces — klager en aangeklaagde — het feitenmateriaal heelt verkregen, zonder zelf onderzoek te doen. Hij is lijdelijk als in het ten onzent geldende civielproces. Als klager kan iedereen optreden, de partijen zijn gelijkwaardig en gelijkberechtigd en onderworpen aan eene vooraf vastgestelde bewijsvoering.

Volgens het andere stelsel onderzoekt de rechter zelf de feiten, spoort ze zoo noodig op en neemt eene beslissing, berustende op zijne overtuiging de waarheid gevonden te hebben. Een klager behoeft zelfs niet te bestaan, althans niet bekend te zijn en de beklaagde is geen partij meer, maar < bject van onderzoek. Elke bewijsvoering is toegelaten, terwijl de bekentenis een hoofdrol speelt, ook al, omdat dit stelsel in het kanonieke recht belichaamd was en daar de bekentenis als teeken van berouw in hoog aanzien stond ').

Het eerste stelsel — de processus accusatorius — werd door het tweede — de processus inquisitorius — tegen het einde der middeleeuwen verdrongen. Nu komen beide stelsels niet meer in den zuiveren vorm voor. Het Engelsche strafproces vertoont wellicht het meest nog het accusatoire beginsel en ons militair proces het inquisitoire. Ons gewone strafproces is in navolging van den Franschen Code d'instruction criminelle van 1808, evenals de Duitsche Strafprozessordnung van 1877, een compromis tusschen beide stelsels.

Beide stelsels hebben hunne voor- en nadeelen, die, practisch althans, niet gelijkelijk wegen. Bij het inquisitoire proces (Untersuchungsverfahren) hangt van de bekwaamheid, de schranderheid, den ijver en de volharding des rechters alles al. Hoewel hij onpartijdig moet zijn, zal hij tegen wil en dank zijn objectie! standpunt verlaten, tengevolge van zijne verhouding tegenover den beklaagde, die natuurlijk alles aanwenden zal om de hem toegeschreven strafbare feiten zoo verschoonbaar mogelijk voor te

') Het spreekt van zelf, dat hier beide typen zijn geschetst in zuiveren vorm, doch dat in werkelijkheid steeds een minder scherp type heeft bestaan als een historisch geworden. De in de tekst gegeven tegenstelling volgt die van Bienf.r, Abhandelungen aus dein Gcbiete der Ilechtsgeschichte, II, 3(i, medegedeeld met groote instemming door Glasek, Handbuch des Strafprozesses, I, blz. 27—28.

Sluiten