Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»dem Angeklagten felilt zunachst die Rechtskenntniss, welche ihm ermögliclien würde, zu erkennen, worauf es nach dem Strafgesetz in dem Falie ankommt und welche Prozesseinrichtungen ihm bei Führung seiner Vertheidigung zu statten kommen. Es fehlt ihm ferner gewöhnlich die Befahigung, von den zur Verfiigung stellenden sachlichen und formellen Schutz- und Vertheidigungsmitteln zweckmassig und wirkungsvoll Gebrauch zu rnachen. Ware dies auch nicht der Fall, so beraubt ihn oft seine gefahrdete Lage der erforderlichen Klarheit und Ruhe des Geistes. Endlich machen es ihm oft Gefangenschafl und andere Verhfiltnisse unmöglich, die nöthigen Nachforschungen zu pflegen, sich da, wo es dienlich ist, einzufinden u. s. w. Er muss daher die Mögliclikeit richtiger Vertheidigung dadurch gewahrt werden, dass eine dazu geeignete Persönlichkeit dieselbe mit und für denBeschuldigten föhrt: der Verfheidiger, defensor"'). Niets natuurlijker nu, dan dat de rechten van den verdediger in dezelfde richting als die van beklaagde uitgebreid worden. Is men met mij op bovenstaande gronden overtuigd, dat beklaagde recht op een deskundigen verdediger heeft, dan moet men ook toestemmen, dat hij dit recht altijd en gedurende den geheelen loop van het proces moet hebben. Toch is dit nog geenszins het geval. In I rankrijk zal de rechter van instructie — sedert de wet van 8 December 1897 — verplicht zijn den beklaagde, zoodra deze voor hem verschijnt, in te lichten omtrent zijn recht om een raadsman te kiezen en, als deze er geen kiest, er een te doen toevoegen. Deze raadsman heeft terstond bij het eerste verhoor de rechten van den verdediger; buiten zijne tegenwoordigheid of althans zonder behoorlijke oproeping van hem, mag geen verhoor of confrontatie plaats vinden, tenzij de beklaagde uitdrukkelijk erin toestemt of in een drietal uitzonderingsgevallen, vermeld in art. 7 der wet. Is de beklaagde aangehouden, dan heeft hij dadelijk na het eerste verhoor vrij verkeer met zijn raadsman zonder eenige beperking (art. 8). De raadsman heeft daags voor elk verhoor het dossier ter beschikking en moet van elke beschikking des rechters onmiddellijk kennis hebben (art. 10). Men ziet, dat deze wet hoofdzakelijk betrekking op het vooronderzoek heeft, hetgeen alleen zijn oorzaak vindt in de om-

') Glaser, t. a. p. II blz. 222—223.

Sluiten