Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tout autre tribun.il, il sera spécialement difficile, douloureux au colonel de 1'observer. Ce serait en vérité la seule circonstance, oü un officier, n'ayant comme voisins et auditeurs que des inférieurs hiérarchiques n'étalerait point avec quelque coniplaisance son avis." In haar Deuxième Rapportaan de Chambre des députés uitgebracht op 25 November 1901, zegt de commissie belast met liet onderzoek van alle aanhangige voorstellen betreffende de militaire justitie, o. m.: „II a paru cependant que cette indépendance devait être mieux assurée encore, étant donnés les rapports de subordination, qui existent entre les grades inférieurs et le colonel-président qui a pu laisser percer son opinion — même involontairement." De bekende jurist Dr. Bassermann zeide bij de eerste lezing van de Militarstrafgerichtsordnung in den Rijksdag 2): „Denn unter fünf Richtern ist die Möglichtkeit doch nicht zu leugnen, dass da ein weniger urtheilsfahiger Mann dabei ist, der selir geneigt ist, sich dem Urtheil seines im Dienst ihm Vorgesetzten anzuschliessen." Rehm 3) wijst erop, dat de onderofficieren wegens vrees voor niet-zelfstandigheid uitgesloten zijn en meent ten onrechte, dat officieren daarentegen wel zelfstandig zijn. En Mittermaier '4) zegl, „dass der Unabhangigkeit der Rechtspflege viele Hemmnisse gegeben sind." Ten onzent beweert men meestal het tegendeel. Koolemans Beijnen5) zegt „Men vreest dat de meerderen in den krijgsraad hun meerderheid zullen doen gevoelen. Dit is wel denkbaar, maar toch hoogst onwaarschijnlijk. Vóór de aanvaarding der rechterlijke functiën beginnen alle leden van den krijgsraad den eed af te leggen. Daardoor zijn zij gebonden om recht te spreken zonder aanzien des persoons, enz. enz.; en ik geloof niet, dat een meerdere het in zijn hart zou krijgen, om eenige „pressie" op zijn mindere te willen uitoefenen. Ik heb er tenminste nooit van gehoord." En in gelijken zin de kapitein P. P. C. Collette(;): „Gebrek aan zelfstandigheid, aangenomen, dat zij bestaat, is niet het gevolg der krijgstuchtelijke

') Chambre des députés 1901 n°. 2777 blz. 2.

■) Stenografische Berichte, blz. 'J8b.

■') t. a. p. blz. 438.

4) t. a. p. blz. 592 vlg.

6) Handelingen Ned. Jur. Vereen. II blz. 175 6.

c) Vereeniging tot beoefening van Krijgswetenschap op 28 Maart 1901. Verslagen, blz. 479.

Sluiten