Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

une sorie de familie pour les officiers, il peut n'avoir pas moraleruent toute sa liberté d'action, dans certains cas, dont nous n'avons cité que quelques-uns et, aussi, paree qu'il est exposé a subir 1'influence de ses supérieurs tenant, pour une raison ou pour 1'autre, a donner une direction déterminée a une affaire a écarter ou a maintenir certaines parts de responsabilité."

In Duitschland heeft de „gerichtsherrliche Institution" bij de jongste herziening van het militaire strafproces in liooge mate de aandacht gelrokken. Hiervoor hebben wij gezien, wie „Gerichtsherren" zijn '). De instelling zelve is overgenomen uit de Pruisische Militarstrafgerichtsordnung van 3 April 1845, welke het inquisitoriale systeem huldigde. Daardoor is veel in een persoon vereenigd, wat in het accusatoire process gescheiden moet zijn. Doch ook, doordat men de militaire rechtspleging aan „die Kommandogewalt" heeft verbonden, waardoor „die durch die militarische Dienststellung begründeten Ueber- und Unterordnungsverhaltnisse auch bei den Gerichtsherren hervortreten" 2), heeft de instelling een karakter gekregen, dat moeilijk met de eischen van de strafrechtswetenschap overeentebrengen is.

Weiffenbach s) vat de positie van den „ Gerichtsherr" aan het slot van zijne beschrijving van diens „Wirkungskreis" aldus samen: „ Der Gerichtsherr steht im Mittelpunkte des militargerichtlichen Verfahrens. Er vereinigt in sich die Autoritat des militarischen Befehlshabers, die Rechte der Strafverfolgungsbehörde (Staatsanwaltschaft) und weitgehende ricliterliche Befugnisse. In der Vereinigung der Befehlsgewalt und der Gerichtsgewalt in derselben Person liegt das Grundprinzip der Militarstrafgerichtsordung". Hij noemt de volgende bevoegdheden, op, die ik niet onaardig acht over te nemen om een inzicht in „die Uebergewalt" van den Gerichtsherr te verkrijgen ')•

') Blz. 117 noot ].

*) Weiffenbach, t. a. p. blz. 27.

3) T. a. p. blz. 38.

4) T. a. p. blz. 34—35. Reeds bij de eerste lezing in den Rijksdag had de afgevaardigde Beckh in eene lange rij de bevoegdheden van den Gerichtsherr opgeteld. Stenographische Berichte, blz. 44. Stenglein in de Juristen Zeitung van 1901 no. 15 zegt: «Dass der Befehlshaber zugleich öffentlicher Anklager

Sluiten