is toegevoegd aan uw favorieten.

Militaire rechtspleging

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouw van Hickel heeft verhoord en hierover als getuige onder eede is verhoord, terwijl zijn getuigenis bij de beslissing en uitspraak als bewijsmateriaal heeft gediend. Het Reichsmilitargericht was van meening, dat de generaal hier als „militdrischer Vorgesetzte" heeft gehandeld en dergelijke „militar-polizeiliche Nachforschungen" veroorloofd zijn, terwijl de vraag, of een zoodanig ingrijpen van den Gerichtsherr naast den Untersuchungsführer" door de omstandigheden geboden wordt, „im Ermessen des Gerichtsherrn steht" 1).

Ook na deze beslissing van het Reichsmilitargericht van 11 Januari 1002, waarbij enkele tegenstrijdigheden als niet strijdig met de wet werden aangenomen, kunnen evenwel verhoudingen ontstaan, in verband met de omstandigheid, dat de Gerichtsherr niet aan de Untersuehungshandlungen deelnemen mag (§ 107 Militfirstrafgerichtsordnung), die op zijn minst genomen zonderling mogen heeten.

Wanneer nu dergelijke handelingen niet in strijd met de wet zijn, ontstaat de mogelijkheid, dat er in elk proces twee Untersuchungsführer zijn : een otï'icieele, onderworpen aan alle wettelijke bepalingen, die op hem als zoodanig betrekkelijk zijn, en een ofïicieuse, door geen bepalingen van dien aard gebonden, maar die bovendien het recht bezit, den eerstgenoenulen officieelen Untersuchungsführer aanwijzigingen te geven (§ 97 Militarstrafgerichtsordnung.) Daardoor wordt de zelfstandigheid van den officieelen Untersuchungsriehter nogmaals aanzienlijk beperkt.

Dat in het Gumbinner-proces bovendien onregelmatigheden dooiden Gerichtsherr zijn geschied, o. a. het in hechtenis houden van den vrijgesproken beschuldigde, laat ik rusten, omdat zij meer aan de onbekwaamheid van den generaal, om in juridische aangelegenheden als autoriteit op te treden, zijn toe te schrijven dan aan de wettelijke positie van den Gerichtsherr.

Intusschen is het allerminst goed te keuren, dat het Kommandogewalt in het militaire strafproces eene zoo invloedrijke plaats inneemt, waardoor een groot gevaar voor de discipline ontstaat, hoewel in de Begründung des Entwurfs het tegendeel werd betoogd. Immers het is zeer licht mogelijk, dat de Gerichtsherr, die ook mensch is, een verkeerd gebruik van zijne vele en in sommige opzichten tegenstrijdige2) bevoegdheden maakt en daardoor het Recht en

') Entscheidungcn des Reichsmilitargericht*. Zweiter Band, blz. 100. 2) «Seine Stcllung aber ist eine widerspruchsvolle» Oetkek, t. a. p. blz. 20.