Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van liet Corps overlaten" ')• Anders zal hij de zaak naar den militairen rechter verwijzen en „den gearresteerde provisioneel in verzekerde bewaring houden" 2).

In het belang van den verdachte en ook van de militaire justitie bestaan belangrijke aanvullingsbepalingen. Ten einde te voorkomen, dat militairen, die ten slotte slechts aan eene overtreding van het Reglement van Krijgstucht schuldig blijken, door langdurige preventieve hechtenis eene zwaardere straf ondergaan dan de wet op die overtreding stelt, werd bij Koninklijk Besluit van 16 November 1818 Litt. U. 2 (Recueil Militair I). B. U. blz. 16) aan de Plaatselijke en Garnizoenscommandanten voorgeschreven, „om, wanneer zij vermeenen, dat de daad, welke aan eenig militair wordt ten laste gelegd van dien aard is, dat deswege door een krijgsraad zoude moeten worden erkend, alsdan en alvorens de aangeklaagde in het provoosthuis worde gebracht, de klacht met de daartoe betrekkelijke stukken te stellen in handen van den auditeur-militair, ten einde door dezen, naar aanleiding van art. 300 van de Rechtspleging bij de Landmacht worde geadviseerd, of de aard der zaak vordert, dat daarin door hem, auditeur militair, ambtshalve worde geprocedeerd dan wel of de zaak disciplinair zou kunnen worden afgedaan, mitsgaders, of er in het eerste geval gronden zijn om den aangeklaagde in het provoosthuis te doen overbrengen, dan of dezelve op vrije voeten zoude kunnen gesteld worden" '). Bij eene Ministerieele Aanschrijving van 17 Augustus 1870 Kab. Litt. O. 17, gericht aan Commandeerende Officieren van korpsen enz., aan Bevelhebbers in de Militaire Afdeelingen en aan de Plaatselijke en Garnizoenscommandanten, werden regelen gesteld opzichtens het onderzoek, dat voorafgaat aan de beslissing van den Plaatselijke of Garnizoenscommandant, ofdever-

>) Art. 13. R. L.

') Art. 12. R. L.

3) In eene Ministerieele Aanschrijving van 9 Augustus 1883 Ie Afd. n°. 38 (D. B. U. blz. 502), gericht aan de commandeerende officieren der militaire arrondissementen, wordt herinnerd aan de nakoming van het Kon. Besl. van 1818 «volgens hetwelk zij (Plaatselijke of Garnizoenscommandanten) verplicht zijn om in alle zaken, die zij vermeenen, dat door den krijgsraad berecht moeten worden, te voren h«t gevoelen dienaangaande in te winnen van den betrokken auditeur-militair, waarbij tevens aan het oordeel van dezen laatste de vraag moet worden onderworpen, of de beklaagde al dan niet in praeventieve hechtenis moet worden gehouden.» De auditeur-militair moet dit advies binnen 4 dagen uitbrengen.

Sluiten