Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dachte al dan niet naar den militairen rechter zal verwezen worden. Alvorens de Plaatselijke of Garnisoenscommandant beslist, zal er een voorloopig onderzoek gehouden worden door eene commissie van twee officieren, waaraan een derde als secretaris kan worden toegevoegd en wel, wanneer de zaak betrekking heeft tot den dienst van eenig korps en daarin geen andere militairen dan van het korps betrokken zijn, bij het korps zelve en anders op last van den Plaatselijken of Garnizoenssommandant. Ook wordt een nader onderzoek, door den auditeur-militair gewenscht, vóór dat hij ingevolge het Koninklijk Besluit van 1818 advies ditbrengt, aan eene dergelijke commissie opgedragen. Deze commissiën winnen zoo spoedig mogelijk alle informatiën in, die zij kunnen bekomen. Zij hooren de getuigen buiten eede en brengen van hunne bevinding schriftelijk rapport uit. In de praktijk wordt nu niet alleen altijd advies van den .auditeurmilitair gevraagd J), maar ook gewoonlijk naar dat advies gehandeld, zoodat deze rechtsgeleerde grooten invloed op de verwijzing naar den krijgsraad uitoefent. Alleen is de Plaatselijke of Garnizoenscommandant niet verplicht conform dat advies te beslissen, maar is dientengevolge ook de verantwoordelijke persoon. Het is deze rol, welke men de „exorbitante macht" van den garnizoenscommandant heeft genoemd, en daarom door sommigen als wenschelijk verdedigd, maar ten onrechte vergeleken wordt met de macht van den Duitschen „Gerichtsherr" 2). Wanneer men nu weet, welken rol de auditeur-militair in den krijgsraad speelt, èn als openbaar aanklager èn als adviseur, dan zal men begrijpen, dat de nietrechtsgeleerde Plaatselijke of Garnizoenscommandant diens advies

') Zie noot 3 op de vorige blz.

') In de vergadering van de Vereeniging ter beoefening van de krijgswetenschap van 27 Januari 1899 noemde prof. van der Hoeven, als behoorende tot de hoofdfouten van de Duitsehe Militarstrafgerichtsordnung «de exorbitante macht, die in Duitschland aan den Gerichtsherr is gegeven» en waarschuwde ons tegen zulk een macht. Kolonel Koolemans Beynen zeide naar aanleiding hiervan: «Door den heer van der Hoeven is o. a. gesproken over de exorbitante macht van den garnizoenscommandant, in zooverre deze te beslissen heeft, of eene zaak al of niet voor den krijgsraad za! worden gebracht. Ditzelfde woord heeft de heer van der Hoeven 25 jaar geleden ook gebezigd voor dezelfde zaak. Welnu ik hoop, dat de garnizoenscommandant die exorbitante macht zal behouden.» (Verslagen blz. 309 en 315.)

Sluiten