Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opvolgt, zoodat hij slechts een schijnbare exorbitante macht bezit, tegenover „die Allgewalt des Gerichtsherrn* ') in Duitschland.

Ten aanzien van het vervvijzingsrecht naar den krijgsraad, doen zich twee vragen voor, die hier nog kortelings aangestipt moeten worden. Is het mogelijk — zoo luidt de eerste vraag — eene zaak toch bij den militairen rechter aanhangig te maken, wanneer de Plaatselijke of Garnizoenscommandant dit niet wil doen? Kan de Commandeerende Officier in het militaire arrondissement of de Minister van Oorlog dit doen? Volgens sommigen wel, op grond van de militaire hierarchie, volgens anderen niet, omdat de wet alleen van den Commandeerenden Officier van het garnizoen spreekt2). Het komt mij voor, dat in elk geval beide hoogere autoriteiten het recht hebben den Plaatselijken of Garnizoenscommandant te gelasten eene bepaalde zaak te verwijzen en wel om tweeërlei redenen. Eerstens om de militaire hierarchie en tweedens om de hiërarchische organisatie van het Openbaar Ministerie, die ook in de civiele rechtspleging bestaat3). De Bevelhebber in de Militaire Afdeeling heeft als zoodanig rechtstreeks onder zich de Plaatselijke en Garnizoenscommandanten en oefent toezicht uit over hunnen geheelen werkkring. Maar bovendien is hij Commandeerende Officier van het militair arrondissement en dus opzichtens de militaire justitie de hoogste autoriteit in het arrondissement. Hem is opgedragen „in deze zijne hoedanigheid" te waken, dat de onderscheidene bepalingen betrekkelijk de Rechtspleging bij de Landmacht behoorlijk worden nagekomen. Dit is onmogelijk, zoo hij geen verwijzing kan gelasten. Nu is de verwijzing meer dan vervolging, het is ook in staat van beschuldiging stellen. De Plaatselijke of Garnizoenscommandant treedt dus als Openbaar Ministerie op, maar ook als raadkamer — „chambre de la mise en accusation." Daarom schijnt het mij, zoolang de toestand zoo blijft, overeenkomstig de wet juist toe, dat de hoogere autoriteiten niet zelf verwijzen, maar den Plaatselijken of Garnizoenscommandant gelasten dit te doen.

') Steno lein, Deutsche Juristen Zeitung, 1901 n°. 13.

2) In eersten zin is o. m. aldus beslist bij sententie van het I. H. M. G. van 10 Januari 1885, in laatstgeinelden zin luidt het oordeel o. a. van de heeren Coelette en Van Dijk t. a. p. blz. 137. Ten onzent bestaat omtrent deze vraag geen jurisprudentie.

") Zie de Pinto, R. O. II blz. 39 vlg.; Simons, Beknopte Handleiding, blz. 34.

Sluiten