Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer men den militairen rechter handhaaft, is eene betere regeling natuurlijk gewenscht, en dan wel in dezen zin, dat de beslissing over de vervolging ook officieel aan den auditeur wordt opgedragen, maar die over de „verwijzing naar den Krijgsraad" wordt gegeven aan eene commissie van verwijzing — de Fransche „commission d'accusation."

De tweede vraag is, of de auditeur-militair ambtshalve mag vervolgen? Met de heeren Collette en Van Dijk l) ben ik van meening, dat hij krachtens art. 31G van de Rechtspleging bij de Landmacht deze bevoegdheid heeft, hoewel hij in voorkomende gevallen wellicht beter doet eene vervolging van militaire zijde uit te lokken.

Wanneer de Plaatselijke of Garnizoenscommandant zijne beschikking tot verwijzing heeft genomen en dus reeds als Openbaar Ministerie en raadkamer heeft gefungeerd, begint eene derde functie. Hij gelast nu het gerechtelijk onderzoek en wijst een raad van informatie aan, bestaande uit twee officieren en een secretaris. In de residentie van den krijgsraad is de auditeur-militair secretaris, anders een geschikt officier. Ik verwijs ten aanzien van de wijze van benoeming naar de hiervoren meegedeelde Ministerieele Aanschrijving van 27 December 1875 n°. G3 S 2). De Plaatselijke of Garnizoenscommandant oefent op dit onderzoek grooten invloed uit. De schriftelijke getuigenen beklaagdeverhooren worden hem ter hand gesteld en niets belet hem eene aanvulling te gelasten of zich met de redactie der vragen in te laten 3). Hij bezit hier zelfs uitgebreider recht dan de Duitsche Gerichtsherr.

Een vierde functie of beter bevoegdheid van den Plaatselijken of Garnizoenscommandant bestaat hierin, dat hij, weliswaar na advies van den auditeur-militair, beschikt over het al of niet preventief

) T. a. p. blz. 141 vlg. De aldaar opgeworpen vraag in hoeverre het H. M.G. den auditeur-militair eene ambtshalve vervolging kan gelasten, laat ik rusten.

■') Blz. 1120 vlg.

3) Eenige jaren geleden heb ik dit ondervonden. De Commissie had den beschuldigde eene vraag gedaan meer in de richting van zijn onsehuid dan wel schuld. Den voorzitter werd daarop bij een onderhoud men den Plaatselijken of Garnizoenscommandant gezegd, dat deze «gestelde vraag om den vorm veroordeeld werd, daar Z. H. E. G. meende, dat men een mindere (door het doen van zulk een vraag) niet op het denkbeeld moest brengen, dat er dergelijke gevallen kunnen voorkomen.» Aldus werd mij schriftelijk meegedeeld door dien voorzitter op last van den Plaatselijken of Garnizoenscommandant.

Sluiten