Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dan als zoodanig officieren-commissarissen en den auditeur-militair beschouwen.

Hiervoor ») is meegedeeld, op welke wijze de officieren-commissarissen woi den benoemd. Ik herinner, dat in de eerste vier arrondissementen de aanwijzing voor ééne maand, in het vijfde arrondissement (Leeuwarden), overeenkomstig de wet, telkens voor elke zaak geschiedt, terwijl buiten de residentiën der krijgsraden eveneens voor elke zaak officieren-commissarissen worden benoemd. Daar nu volgens art. 129 R. L. de krijgsraad eerst wordt bijeengeroepen, „nadat de informatiën voor oflïcieren-commissarissen zijn afgeloopen en daarvan rapport is gedaan aan den Commandeerende Officier van het garnizoen", voor 't geval deze informatiën in de residentie gehouden zijn, of indien de auditeur-militair volgens art. 31 R. L. „van begrip is, dat er een genoegzaam onderzoek heeft plaats gehad , voor t geval hij de stukken behelzende de verhooren en verbalen der gehouden informatiën buiten de residentie heeft ontvangen, kan men de officieren-commissarissen, hoewel hunne taak aanleiding er toe geeft, niet als gedelegeerden van den krijgsraad beschouwen 2). Men kan moeilijk gedelegeerd zijn uit een lichaam, voor en aleer dit lichaam geconstitueerd is. Bovendien moet de delegatie door het lichaam zelve geschieden, zoodat de aanwijzing van de gedelegeerden niet mag plaats vinden door de autoriteit, die in enkele gevallen het lichaam ook samenstelt, maar in de meeste gevallen in 't geheel geen invloed op die samenstelling heeft. Officieren-commissarissen zijn derhalve geen gedelegeerden van den krijgsraad, maar het „Organ des Gerichtsherrn", in casu van den Plaatselijken of Garnizoenscommandant, die hen heeft aangewezen. Deze opvatting vindt onder meer steun in het bepaalde in art. 13G R. L.: „onder de zeven leden van den krijgsraad benoemt de commandant altijd twee officieren, welke over de informatiën hebben gezeten". Anders zouden omgekeerd uit de zeven leden van den krijgsraad twee officieren-commissarissen moeten worden aangewezen.

Voor het geval de informatiën buiten de residentie van den krijgsraad plaats hebben, wordt volgens art. 24 R. L. geen verder verhoor van beklaagde gehouden, wanneer hij bij het eerste verhoor niet

') Blz. 120 vlg.

) Het tegendeel wordt wel eens beweerd. Zoo o. a. door de heeren Collette en van Dijk, t. a. p. blz. 32.

Sluiten