Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stukken rapport uit aan den Plaatselijken of Garnizoenscommandant, waarna „alle de ingewonnene verhooren, informatiën en bewijsstukken behoorlijk verzegeld door den Commandeerenden Officier van het Garnizoen worden verzonden aan den Auditeur-Militair van het Militair Arrondissement" 1).

Wanneer de informatiën in de residentie van den krijgsraad geschieden, zijn de werkkring en de bevoegdheid van den Plaatselijken of Garnizoenscommandant dezelfde, met uitzondering, dat nu zooveel verhooren kunnen worden gehouden als noodig zijn, voor 't geval de beklaagde ontkent en dus het gestelde in de artt. 24 en 2G R. L. niet toepasselijk is, ook niet met betrekking tot den Plaatselijken of Garnizoenscommandant.

De Plaatselijke of Garnizoenscommandant blijft Gerichtsherr, de officieren-commissarissen zijn „Organe des Gerichtsherrn" in deze periode van het proces. Wil de Gerichtsherr zijne taak kunnen vervullen, zooals de wet het hem voorschrijft, dan moet hij volkomen bevoegdheid hebben om inzage van de stukken te nemen en officieren-commissarissen aanwijzingen nopens het hooren van den beklaagde, het stellen der vragen, het houden van confrontatiën, enz. te geven. Buiten de residentie van den krijgsraad spreekt het vanzelf, dat hij inzage van de stukken moet en inag nemen. Hoe wil hij anders de beslissing nemen of er een nader verhoor van beklaagde noodig is (art. 24 R. L.) en hoe zou het anders mogelijk zijn, dat de auditeur-militair van hem de stukken ontvangt (art. 27 R. L.) en met hem erover correspondeert 2) ?

In de praktijk is het de gewoonte, dat de auditeur-militair wel de stukken overeenkomstig art. 30 R. L. ontvangt, maar dat de

') Art. 27 R. L.

') Collette cn van Dijk, t. a. p. blz. 171 : «buiten de residentie van den krijgsraad neemt de Garnizoenscommandant zelfs wel inzage van de processenverbaal der verhooren. Het laatste moge strikt genomen niet toegestaan zijn, een uitvoerig rapport kan echter door den Garnizoenscommandant geeischt worden, wanneer dat noodzakelijk mocht zijn.» Waar zij dit in de wet lezen, is mij een raadsel, doch bovendien, waarom mag de Garnizoenscommandant wel op een uitvoerig rapport beslissen, maar niet op de verhooren zelf? Immers bij eene beslissing komt het op de gehouden verhooren aan, zoodat deze, wil het uitvoerig rapport iets beteekenen, daarin opgenomen moeten zijn. In de praktijk neemt hij niet alleen inzage van de stukken, maar ontvangt zelden een dergelijk rapport, voor zoover mij, ook van elders, bericht is.

Sluiten