Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarop den auditeur-militair gelasten', zoodat hij aan eerstgenoemden ondergeschikt is, maar art. 87 R. L. luidt: „De getuigen, welke de auditeur-militair vermeent, dat behooren te worden gehoord, zullen mede ten overstaan van officieren-commissarissen worden gehoord", waaruit blijkt, dat nu omgekeerd de auditeur-militair de lakens uitdeelt. Natuurlijk is de veelzijdige functie van den auditeur hierop ook van invloed. In de praktijk komt het geval, in art. 79 R. L. bedoeld, weinig voor en wat art. 87 R. L. betreft, roept naar mijne meening de auditeur-militair overeenkomstig art. 320 R. L. de tusschenkomst van den Plaatselijken of Garnizoenscommandant in. Daarmee wordt deze laatste in zijne „gerichtsherrliche Position" bevestigd.

Dat de verhouding van den „Gerichtsherr" en zijne „ Organe" ten onzent slecht geregeld is, hunne positie vaak eene onzuivere is, moet geheel aan ons verouderd en slecht geredigeerd wetboek worden toegeschreven. De weinige bekendheid van de officieren met het recht in 't algemeen en zelfs met het militair recht, maakt, dat de invloed van den auditeur-militair nog grooter is dan de wetgever heeft bedoeld. Wij hebben gezien, dat deze bedoeling was „dat bij consequentie langs dezen weg in de geheele administratie der Justitie van Militaire personen, de zorg over de behoorlijke bestraffing der commune delicten door Rechtsgeleerden als de Wetten van den Lande kundig, worden gedirigeerd", hetgeen zou geschieden door „de mindere Landskrijgsraden te voorzien van Auditeurs-Militair in rechten gegradueerd." ')

Na het voorgaande is het onnoodig te zeggen, dat de „Gerichtsherr" niet past in het moderne strafproces, dat een zelfstandig vervolgingsorgaan eischt. Wie meenen, dat de Gerichtsherr in het militaire proces niet kan gemist worden, zullen moeten toegeven, dat dan dit proces niet aan de eischen van het moderne strafprocs kan beantwoorden.

§ 4. De beschuldigde en zijne verdediging. De belangrijke plaats, welke de verdediging in het strafproces

') Van der Hoeven, Onze militaire strafwetgeving, blz. 4g.

Sluiten