Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1809 was eene onbeperkte verdediging door rechtsgeleerden in alle zaken toegelaten, behoudens dat, wanneer „das die Verweisung beschliessende Gericht bei einer auf ein militarisches Verbrechen oder Vergehen gerichteten Anklage die Zulassung eines Verteidigersans dem Civilstande dem militardienstlichen Interesse für nachteilig erachtet, so kann es im Venveisungsbeschlusse die Wahl eines solchen Verteidigers untersagen" *).

Ook in dit opzicht beteekent de Militarstrafgerichtsordnung van 1 December 1898 een teruggang bij de Beiersche wet van 1869. Dat de rechten der verdediging, zooals zij omschreven zijn in de Militarstrafgerichtsordnung, onvoldoende zijn om aan de eischen, daaraan in het moderne strafproces gesteld, te beantwoorden, behoeft geen verder betoog. Dat zij verre achterstaan bij die volgens de Fransche wet aan den beschuldigde toegekend, is eveneens duidelijk. Wellicht stond de „gerichtsherrliche Institution" eene uitbreiding in den weg, hetgeen niet tegen deze uitbreiding, maar tegen het behoud van den Gericlitsherr getuigt. De gevaren voor de discipline en de autoriteit der militaire overheid zijn niet meer dan denkbeeldig. Juist door de meest uitgebreide, deskundige en onafhankelijke verdediging wordt de waarheid het best gediend en daarmee de gerechtigheid en de discipline.

In ons land mist de beschuldigde het recht van verdediging. Hij is voorwerp van onderzoek; commissarissen „zullen in alle verhooren even zeer zich toeleggen om de onschuld te ontdekken, als om bewijs en erkentenis van schuld in te winnen" 2). Wel mag de beschuldigde zich beroepen „op eene omstandigheid, die de misdaad onmogelijk of hoogst onwaarschijnlijk zoude maken of doen vervallen" 3) tegenover de commissarissen, die „hem onderhouden over die verdediging en hem afvragen opgave, zoo van de namen der getuigen, die iets daarvan zouden weten, als van de omstandigheden, die aanleiding zouden kunnen geven tot opsporing van bewijs" 3), terwijl „vóór het sluiten van het laatste verhoor hem uitdrukkelijk zal worden afgevraagd, of, en zoo ja, wat hij nog tot zijne verdediging of verschooning heeft in te brengen en op welke getuigen,

') § 95 der bayerischen Militarstrafgerichtsordnung.

Art. 70 R. L.

3) Art. 80 R. L.

Sluiten