Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewijzen of omstandigheden hij zich ten dien einde beroept" x)Maar wat te zeggen van eene verdediging in het vooronderzoek, terwijl de beschuldigde noch de stukken kent, noch getuigenverhooren heeft vernomen, tenzij hij „de misdaad geheel of ten deele blijtt ontkennen" 2), noch van het hem ten laste gelegde feit met juistheid kennis draagt, noch den eisch van den auditeur-militair weet. En wat beteekent „distinctelijk", „duidelijk en langzaam" voorlezen van getuigenverhooren? Hoe daarop eene verdediging te gronden door een niet-rechtskundigen beschuldigde ? En wanneer de beschuldigde in zijne verhooren, „voor officieren-commissarissen ondergaan, in de volle krijgsraadsvergadering zal worden gerecolleerd" en „na het voorlezen derzeive zal worden afgevraagd, of hij daarbij persisteert, dan of hij daarbij nog iets te voege hebbe" 3), is dit niet minder het geval en zeker niet het oogenblik, waarop de verdediging wordt gevoerd. Evenmin kan ik het recht van verdediging zien in art. 187 R. L.: „Een gearresteerde of gerequireerde in persoon, deszelfs echtgenoote en nabestaanden zullen ten allen tijde, totdat het vonnis zal worden gepronuntieerd, aan den Krijgsraad mogen aanbieden zoodanige stukken als zij vermeenen tot bewijs der onschuld te kunnen dienen." Men kan twisten over de vraag, of eene memorie van verdediging hiertoe behoort, doch in elk geval zal dit, zoolang de stukken, enz. niet worden gekend, slechts eene memorie van verdediging in naam zijn 4).

Rechten der verdediging bestaan dus ten onzent niet, tenzij men het bovenstaande daaronder rangschikken wil. „Juridische verdediging is eene feitelijke onmogelijkheid' 5). Ik heb hier natuurlijk alleen personen, die in eerste instantie voor den krijgsraad terechtstaan, op het oog. Zij, die in eersten aanleg voor het Hoog Militair Gerechtshof terechtstaan, kunnen een rechtsgeleerden raadsman kiezen,

') Art. 83 R. L.

*) Art. 72 R. L.

n) Artt. 108 en 169 R. L.

4) Dat de beschuldigde een enkele maal eene memorie van verdediging, met weten van den auditeur-militair (krijgsraad) door een rechtsgeleerde opgesteld, indient, waarvoor deze laatste zelfs toegang tot den eerstgenoemde en inzage van de stukken heeft gehad, is, hoezeer in 't belang der verdediging toe te juichen, niet overeenkomstig de wet.

6) Collette en Van Dijk, t. a. p. blz. 34.

Sluiten