Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoewel dit niet vaststaat. Immers ten aanzien van de manier van procedeeren wordt de stijl van praktijk bij den Ilove van Holland gevolgd *). Deze voorschriften zijn door Karei V. in 1531 in de laatste Instructie van het voormalig Hof van Holland vastgesteld en nader herhaaldelijk gewijzigd. De behandeling der crimineele zaken geschiedde volgens de Ordonnantiën op stuck van de crimineele justicie en op den stijl, beiden van 1570 2). En in dit inquisitoriale stelsel van procedeeren paste geen verdediger. „De wet wil, dat de officier ook advocaat van den gevangene zij" 3). Daarentegen blijkt uit artt. 118 vlg. der Provisioneele Instructie het tegendeel, evenwel onder voorbehoud 4). In elk geval is het hooge uitzondering, dat iemand in eersten aanleg voor het Hoog Militair Gerechtshof terecht staat, zoodat de vraag van weinig praktisch belang is.

Het is natuurlijk overbodig te zeggen, dat eene dergelijke niettoekenning van rechten van verdediging eene der grootste fouten van onze militaire strafrechtspleging is. Omdat echter in het zuivere inquisitoire stelsel de verdediging eene onbeduidende plaats inneemt, daar de rechter zoowel schuld als onschuld naspoort, kan naar mijne meening eene goede regeling van de rechten der verdediging niet plaats vinden, zoolang aan het huidige processysteem vastgehouden wordt. Eerst in het moderne, accusatoire proces komt de verdediging tot haar recht, is een rechtsgeleerde, onafhankelijke bijstand van den beschuldigde onontbeerlijk.

Doch wij hebben gezien, dat in Frankrijk, waar men aan de verdediging dezelfde rechten als in het civiele strafproces heeft verleend, deze rechten toch niet zoo kunnen toegepast worden als in het civiele strafproces, tengevolge van den aard en het karakter van het militair strafproces. Zoolang dit blijft bestaan met de „gerichtsherrliche Institution" en een daarvan afhankelijk vervolgingsorgaan, komt de verdediging niet tot haar recht.

') Art. 75 der Provisioneele Instructie.

2) van Nootest, I)e gewijzigde militaire wetgeving, enz., blz. 46/7. Voorda, de Crimineele Ordonnantiën.

) Voorda, t. a. p. blz. 172. Zie ook De Bosch Kkmper, t. a. n I Inleiding XCIV. '

4) Zoo luidt art. 118: «De zaken der beschuldigden zullen, voorxooverrc de manier van procederen xulks toelaat, worden waargenomen door Praktizijns, daartoe bij hetzelve geadmitteerd en aangesteld.»

Sluiten