Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in hooge male vermeerderd door de bepaling, dat „si les déclarations ont été recueillies par un officier de police judiciaire avant 1'ordre d'informer, le rapporteur peut se dispenser d'entendre ou de faire entendre les témoins qui auront déja déposé" 1). Daarmee wordt de rol van rechter van instructie overgebracht op den officier de police judiciaire, te meer, omdat de uitgebreidheid van het rechtsgebied van den conseil de guerre daartoe meewerkt, gelijk reeds is opgemerkt2). En het onderzoek voor den officier de police judiciaire biedt geen waarborgen, zooals dat voor den rapporteur. De bepalingen van de wet van 8 December 1897 gelden gedurende deze phase van het vooronderzoek niet. De verdachte heeft geen enkel recht, hij is voorwerp van onderzoek. Hij staat ter beschikking van den officier de police judiciaire, die noch de bekwaamheid, noch de onafhankelijkheid voor deze moeielijke functie kan bezitten. Hij wordt door den regimentscommandant aangewezen en bezit zeer waarschijnlijk weinig of geen rechtskennis, heeft eveneens weinig of geen ervaring als rechter van instructie en staat in eene afhankelijke betrekking tot den kolonel. Afhankelijker dan de leden van den krijgsraad, die eenige waarborgen in de wet vinden en wier individueele arbeid naar buiten geheim is. Zijn werk wordt door tusschenkomst van den kolonel aan den général commandant la circonscription gezonden. Voor hem geldt, zegt Jannesson 3), „savoir si le désir du chef de corps n'est pas de voir 1'affaire 's arranger." Men zal moeten erkennen, dat in dit vooronderzoek een der grootste fouten van de Fransche militaire rechtspleging schuilt. Weliswaar zijn de bevoegdheden van den officier de police judiciaire beperkt: zoo mag hij alleen door tusschenkomst van zijn chef den verdachte doen arresteeren, geen huiszoeking bij burgers verrichten, zelfs niet hunne woning betreden zonder civielen bijstand, enz., maar, dewijl zijne taak niet beperkt is, levert deze verminderde bevoegdheid meer na- dan voordeelen voor het onderzoek op. Wie feitelijk instrueert, behoort alle bevoegdheden, welke voor de instructie noodig zijn, te hebben. Daaruit volgt evenwel niet, dat ik zou willen, dat deze den officier de police

') Art. 104, Code justice militaire. 2) Hiervoor blz. 109.

') T. a. p. blz. 49.

Sluiten