Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene procedure hij verstek is evenmin iets bekend. Daarentegen bepalen de artt. 81 en 82 R. L., dat tegen een beklaagde, indien hij onwillig is om te antwoorden correctieve middelen kunnen worden aangewend, zoo noodig bij herhaling en bij verscherping. Verstoort hij de orde, dan zal men insgelijks moeten handelen; verwijdering zal naar mijne meening niet mogen geschieden '). Te minder, omdat niet als bij het civiele strafproces de raadsman van den beklaagde diens belangen blijft behartigen. Er bestaat dus eene leemte in de wet2).

De officieren-commissarissen zullen, wanneer zij het dienstig achten eene gerechtelijke schouwing of plaatsopneming verrichten, aldaar desnoods getuigen hooren en deskundigen raadplegen3). Vermoedelijk zal de beklaagde daar ook wel gehoord mogen worden, al zwijgt de wet daarover, doch de verplichte aanwezigheid van hem bij de schouwing, de plaatsopneming of het verhoor is nergens voorgeschreven, evenmin als het recht van hem dit bij te wonen, hetgeen, omdat de verdediger of raadsman ontbreekt, wien dit recht toekomt, van veel belang is. Zie daartegenover de gunstige bepalingen van § 1G5 der Duitsche Militarstrafgerichtsordnung.

Wijl de wet niet uitdrukkelijk het recht van huiszoeking en papieronderzoek toekent, integendeel erover zwijgt, komt officierencommissarissen deze bevoegdheid niet toe. Ten onrechte wordt beweerd, dat de woorden „en zoodanige verdere informatiën te nemen als vereischt worden" (art. 19 R. L.) en „mitsgaders met het nemen van andere informatiën" (art. 44 R. L.), op dit recht duiden4). Natuurlijk geldt dit verbod van huiszoeking niet in de kazerne, voorzoover het tenminste geen woning van een gehuwde betreft. Wel voor Rijks- of voor Rijksrekening gehuurde woningen, want het recht van daarvoor aangewezen militaire autoriteiten om ook deze woningen te betreden, komt daarom nog niet aan alle mili-

'J Anders Collette en Van Dijk, t. a. p. blz. 167, die art. 170 Wetboek van Strafvordering mutatis mutandis willen toepassen.

') Dit geldt nog meer voor het onderzoek ter terechtzitting en zou daarom in de volgende paragraaf besproken dienen te worden. Daar van het recht van correctiemiddelen aan te wenden in de artt. 81-82 R. L. gewaagd wordt, is het hier behandeld.

3) Art. 99 R. L.

4) Zie aldus ook Collette en van Dijk, t. a. p. blz. 164.

Sluiten