Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het krijgsvolk te lande bepaalt, dat de voorschriften omtrent het bewijs der misdaden van het algemeen recht ook bij het militaire proces toepasselijk zijn. Men neemt aan, dat dit het actueel geldende recht is, hoewel vroeger hieromtrent twijfel heeft bestaan ').

Aanvulling van de al te karige bepalingen in deze materie van de Rechtspleging bij de Landmacht is in elk geval noodig. Naar mijne meening kan men hier analogice voorschriften van het actueel en algemeen geldende recht toepassen, voor zooverre in de militaire wetboeken niet het tegendeel is bepaald/ zoo b.v. de artt. 211 vlg. van het Wetboek van Strafvordering. De beraadslaging en de stemming kunnen geschieden overeenkomstig het gemeene recht. Het vonnis moet gemotiveerd zijn „overeenkomstig den wil van de leden van den krijgsraad"2), doch de motiveering zal wel in de meeste gevallen afkomstig zijn van den auditeur-militair. De beslissingen de jure kunnen moeilijk door niet-deskundigen worden gegeven, ook al geeft de auditeur-militair hun daarover eene „Belehrung".

Geen vonnissen, door den krijgsraad gewezen, zullen ten uitvoer gelegd worden, voor en aleer zij door het Hoog Militair Gerechtshof zijn geapprobeerd of wanneer zij appellabel zijn, door het Hof bevestigd zijns). Op het hooger beroep kom ik in de volgende paragraaf terug. Dat alle vonnissen door het Hoog Militair Gerechtshof moeten goedgekeurd worden, is eenigszins een blijk van wantrouwen in den krijgsraad. Men achtte het niet noodig den beklaagde het recht te geven van alle vonnissen in appel te komen, doch meende evenmin aan den krijgsraad te mogen overlaten in de meest gewichtige zaken eene onherroepelijke beslissing te geven. Langs een omweg voerde men toch het appel in, maar zonder de voordeelen, welke aan het hooger beroep verbonden zijn. Immers, terwijl de beschuldigde bij veroordeeling zich beroepen wil op een hoogeren rechter, die zijne geheele zaak nog eens behandelt en bij bevestiging van het vonnis het geschokte vertrouwen van den veroordeelde in zijnen rechter eenigermate doet herstellen, geschiedt de approbatie

') Pols, t. a. p. blz. 578 vlg.

Collette en van Dijk, t. a. p. blz. 205. 3) Art. 213. R. L. Art. 56 vlg. Prov. Instr.

Sluiten