is toegevoegd aan uw favorieten.

Militaire rechtspleging

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonder dat de beschuldigde het vonnis kent, dat eerst na de approbatie in het openbaar en in zijne tegenwoordigheid wordt uitgesproken 1).

Wanneer de beschuldigde van meening is, „dat een der leden van den krijgsraad uit hoofde van haat, vijandschap of om eenige andere reden geen bevoegd rechter in zijne zaak zoude kunnen zijn, zal hij die redenen van bezwaar met behoorlijk respect aan den krijgsraad mogen voordragen en verzoek doen tot recusatie 2).

De krijgsraad zal terstond beslissen buiten tegenwoordigheid van den gewraakte. Hooger beroep van deze beslissing staat niet open, later zal het Hoog Militair Gerechtshof zijn oordeel bij de approbatie moeten geven. De auditeur-militair kan niet gewraakt worden, toch is hij wellicht de meest invloedhebbende.

Eene exceptie van onbevoegdheid kan worden opgeworpen door de officieren-commissarissen of den auditeur-militair en door den beklaagde. Door eerstgenoemden bij het eerste verhoor of in den loop der informatie3), door laatstgenoemde ook na afloop der informatiën voor officieren-commissarissen in den krijgsraad zelf4). Geschiedt dit tijdens de informatiën, dan wordt terstond een krijgsraad bijeengeroepen om over de exceptie te beslissen. De beklaagde zal binnen drie dagen zijne gronden schriftelijk moeten indienen en mag, wanneer hij zich in arrest bevindt, een advocaat of ander persoon in tegenwoordigheid van officieren-commissarissen raadplegen. De auditeur-militair geeft zijn advies. Verklaart de krijgsraad zich onbevoegd, dan moet het Hoog Militair Gerechtshof dit approbeeren; verwerpt de krijgsraad daarentegen de exceptie, dan wordt de instructie voortgezet, als de officieren-commissarissen of de auditeurmilitair de onbevoegdheid hebben beweerd, hetgeen ook plaats vindt

') Ik laat hier nog rusten, dat het Hoog Militair Gerechtshof enkel op de stukken approbeert. 1'at de approbatie niettemin als «een der meest heilzame bestanddeelen van het militair rechtswezen wordt aangemerkt», zooals in de Memorie van Beantwoording behoorende bij het Wetsontwerp tot bezuiniging van de kosten van het Hoog Militair Gerechtshof in het zittingjaar 1857-58 wordt gelezen — moet meer aan de gebrekkige rechtspleging door de krijgsraden dan aan de voortreffelijkheid van het middel worden toegeschreven.

*) Art. 150 R. L.

;l) Art. 239 R. L.

') Art. 248 R. L.