Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

militfirischen Seiten gegeni'iber der Einführung der Berufung die Besorgniss geliegt wurde, es könnten durch missbrauchliche oder auch nur zu haufige Anwendung der Berufung Verschleppungen herbeigeführt werden" 1). En telkens, wanneer in de Kommissionsberathung op eene betere regeling van de Berufung werd aangedrongen, verklaarde de Regeering slechts noode en tegen den zin der militairen het appel opgenomen te hebben 2). Daarentegen vond de invoering van het liooger beroep in den Rijksdag van verschillende zijden bijval s).

Nu nog een enkel woord over de wijze, waarop de rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. Hiervoor ') lieb ik reeds medegedeeld, dat de Rechtsbeschwerde alleen in de gevallen, uitdrukkelijk in de wet genoemd, is toegelaten. De beslissende autoriteit, niet steeds dezelfde, is in de wet telkens aangewezen.

De Regeering voelde veel voor het argument tegen de Berufung opgeworpen, dat er „Verschleppungen herbeigeführt werden" en wenschte dit „durch Bemessung der Einlegungsfrist und in anderer Mme"5) te voorkomen. Onder die „andere Weise" werd de „Verhüngung der sogenannten Fri-volitatsstrafe" van § 380 des Entwuifs verstaan. Wanneer de rechter de overtuiging zou hebben, dat de „Angeklagte die Berufung lediglicli zur Verschleppung der Sache oder aus Mutliwillen eingelegt bat," zou hij met hoogstens 14 dagen arrest of hechtenis kunnen gestraft worden. Deze Frivolitatsstraf vond in de Kommission algemeene afkeuring ,;) en werd geschrapt, waarmee de Rijksdag zich heeft vereenigd.

De door de Regeering voorgestelde „Einlegungsfrist" van eene week zoowel voor de Berufung als voor de Revision werd behouden. Binnen deze termijn moet de vereischte Begründung der Berufung of Reclitfertigung der Revision ingediend worden door den be-

') Begründung. Materialien, blz. 04«.

2) Zie o. a. Materialien, blz. 1796, 1806, 181—183.

3) Van het Centrum betuigde de heer Gröbeb (Sten. Ber. blz. 116); van de nationaal-liberalen de heer Basseemann (t. a. p. blz. '29a) en van de Freisinnige Volkspartei de heer Beckh (t. a. p. blz. 406) hunne instemming.

4) Blz. 251.

6) Materialien, blz. 04a. Ik cursiveer.

°) In eerste lezing hadden Gröber en Beckh zich reeds in afkeurenden zin er over uitgelaten. Zie noot 3 hiervoor.

Sluiten