Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE AFDEELING.

§ 1. Inleiding.

In de Eerste Afdeeling heb ik nagegaan, of er altijd eene afzonderlijke rechtspraak voor militairen is geweest en — indien zij er was — om welke redenen. Dit onderzoek moest met het oog op den omvang en het doel van dit werk bekort worden en heeft zich slechts over enkele tijdvakken der historie uitgestrekt. Ik heb den invloed van de wijze van samenstelling van het leger en van die, waarop in het algemeen recht gesproken werd, aangegeven. Het is gebleken, dat deze invloed in onzen tijd van nationale legers en van algemeen geldende wetgevingen niet van dien aard is, dat daarom eene afzonderlijke rechtspraak voor militairen, zooals zij thans nog in Europa gevonden wordt, voldoende redenen van bestaan heeft. Dat het leger eene nova universitas in den staat is, kan niet meer op goede gronden worden beweerd. Evenmin kan men zeggen, dat de militairen „nergens gehuist of gehoofd zynde, ja dagelyks van verblyf moetende veranderen, onder geen Rechtsgebied eigenlyk zouden behooren" x). Men voert dan ook andere redenen aan, welke samengevat worden als de militaire gronden, waarop de afzonderlijke rechtspraak voor militairen berust.

Hoewel men in onzen tijd niet bijzonder gestemd is voor den exceptioneelen rechter, zou men op grond, dat in de laatste eeuwen in ons land en ook elders — wel niet overal — een militaire rechter heeft bestaan, dezen gehandhaafd hebben, indien de militaire rechtspleging aan dezelfde eischen zou beantwoorden, welke men aan de moderne strafrechtspleging stelt. Doch men twijfelt, of de militaire rechtspleging wel dezelfde waarborgen aan de justiciabelen geeft, als de gewone rechtspleging, een twijfel, die mij aanleiding heeft gegeven om in de Tweede Afdeeling een onderzoek dienaangaande in te stellen.

') Rendorp, t. a. p. blz. 62.

Sluiten