Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is mijne bedoeling in deze Afdeeling de militaire gronden nader te beschouwen. Zij kunnen naar mijne meening tot twee groepen worden gebracht. Tot de eerste groep behooren dan de meer essentieele gronden als de handhaving van de discipline en de samenhang tusschen tucht- en strafrecht; het strafrecht is een uitvloeisel van het militaire gezag (Kommandogewalt), dat daarom ook ten aanzien van het straffen het hoogste gezag moet hebben; en het recht van straffen is een middel van opvoeding en behoort daarom in handen van den militairen opvoeder te zijn. Tot de tweede groep breng ik de meer accidenteele gronden als de snelheid van berechting; de moeilijkheden, welke in de uitoefening van den dienst ontstaan, wranneer de civiele strafrechter bevoegd is; het standsbewustzijn; de bijkomende militaire straffen, die niet door den civielen strafrechter zouden kunnen opgelegd worden en de rechtspleging in tijd van oorlog. Ik zal de omstandigheid, dat bijkomende militaire straffen niet door den civielen strafrechter kunnen opgelegd worden, bespreken bij de handhaving der discipline en den samenhang tusschen tucht- en strafrecht.

Over het standsbewustzijn behoef ik gelukkig niet veel te zeggen. In het Rapport van de Commissie van 8 April 1807 l) wordt dit nog als een argument voor de universeele competentie van de militairen rechter opgegeven: „dat menig Militair bij het bedrijven van geringe misdaden behouden konde worden in den Militairen stand, daar de delicatesse van het Militair point d'honneur anders waande, dat iedere soldaat gedeshonoreerd was, zoodra hij in handen van de Burgerlijke Bedienden der Justitie geraakt was*. Sedert is men hier te lande van meening veranderd, zoodat nu juist preventieve hechtenis door militairen in de Huizen van Bewaring zal worden ondergaan. Elders is men nog zoo ver niet. „Der Rock des Officiers und sogar des Unterofficiers vertragt nicht den Sitz auf der Anklagebank eines Civilgerichts in Gegenwart von neugierigen Gaffern. Das ganze Officierscorps würde es als eine capitis deminutio empfinden, würde ein Fehltritt eines Einzelnen in solcher Weise breitgetreten werden" 2). En Dangelmaier zegt3):

') Vreede, t. a. p. blz. 40. Reeds vroeger heb ik dit ook in een ander verband medegedeeld (hiervoor blz. 75).

2) Von Richthofen, Reform der Militar-Strafproces-Ordnung, 1877.

:i) Militar-rechtliche Abhandlungen, blz. 75. Zie ook Reinsdorf, Zur Frage des Militar-Strafprocesses und seiner Reform 1885, aldaar aangehaald.

Sluiten