Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar — zegt men — al zijn er betere middelen dan straffen om de discipline te handhaven, er zijn altijd individuen, ook in het leger, die niet anders dan door straf tot hun plicht zijn te brengen. Dientengevolge bestaat er een recht van straffen, dat als tuchtrecht den bevelhebber en als strafrecht — voor de zwaardere gevallen — den militairen rechter is toegekend. Wijl nu tusschen de strafbare feiten, welke de bevelhebber straft en die, welke door den militairen rechter berecht worden, geen essentieel verschil bestaat, ja, dikwijls naar het gevolg wordt afgemeten, of deze of gene strafoplegger het feit afdoet, kan er van een qualitatief onderscheid tusschen het tuchtrecht en het strafrecht geen sprake zijn. Zoowel het tuchtrecht als het strafrecht dienen „für die Aufrechterhaltung der Rechtsoidnung" en — altijd voor het militair recht — kan men dus zeggen: „tucht en recht zijn één."

Ik zal deze stelling nagaan, maar wensch de vraag, of niet, indien de stelling juist blijkt te zijn, dezelfde rechter tucht- en strafrechter moet zijn, in eene volgende paragraaf te behandelen.

Formeel onderscheid tusschen tucht- en strafrecht is gemakkelijk aan te geven. Het strafrecht is bij de toepassing aan processueele vormen gebonden: de rechter mag geen straf opleggen dan wegens a priori in de strafwet opgenomen strafbare feiten en slechts na eene vervolging door en op vordering van ambtenaren bij de wet aangewezen, een en ander op de wijze en met inachtneming van alle voorschriften als in de wet bepaald zijn. Wel beweert men, dat de disciplinaire straf ook niet anders mag worden opgelegd dan wegens overtredingen van voorschriften en reglementen, welke door de daartoe bevoegde macht zijn uitgegeven, doch de laatste woorden van artikel 27 van het nog geldende Reglement van Krijgstucht zijn voldoende om het onhoudbare dezer bewering aan te geven. Dit artikel wil, dat tot de overtredingen tegen de krijgstucht behooren „in 't algemeen, schoon hier niet bij name genoemd, alle zoodanige handelingen en gedragingen, welke met de instandhouding eener goede discipline en krijgstucht in de Militaire dienst onbestaanbaar zijn". Ook in de Wet op Krijgstucht van 27 April 1(.)03 Stbl. 112 wordt zeer juist in artikel 2, le gezegd: „Krijgstuchtelijke vergrijpen zijn: alle niet in eenige strafwet omschreven feiten, strijdig met eenig dienstbevel of dienstvoorschrift, of onbestaanbaar met de militaire tucht of orde."

Sluiten