Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergrijpen'). Achtereenvolgens onderzoekt hij het karakter der militaire vergrijpen en den aard der straffen; de definitie van disciplinaire straf, toegepast op de militaire straffen; de Nederlar.dsche en buitenlandsche wetgeving en de litteratuur. Het zou mij te vei' voeren — en ook niet in het kader van mijn arbeid passen — om zijn pleidooi op den voet te volgen, doch ik wil mij eene enkele opmerking veroorlooven, ook in verband met hetgeen ik van plan ben hier ten aanzien van het onderwerp te zeggen.

Dat de bestaande militaire wetgevingen ons niet verder brengen, heb ik hiervoor reeds aangegeven, ook om welke redenen. Toch moet ik een enkele opmerking nopens het gezegde omtrent de desertie en artikel 2 van de Wet op de Krijgstucht maken. Reeds in § 2 der Eerste Afdeeling heb ik medegedeeld, hoe de Grieken de desertie evenals het verraad terecht als een staatsmisdrijf en niet als een militair misdrijf beschouwden. Ten onrechte wordt deze contractbreuk of schending van burgerplicht2) als een zuiver militair misdrijf opgevat. „Desertie," aldus de kolonel Koolemans Beijnen 3), „in hare eigenlijke beteekenis van Fahnenflucht, is in sommige wetgevingen ongeveer gelijkgesteld met, in anderen omschreven als eigendunkelijke verwijdering gedurende korteren of langeren tijd. De gestelde termijnen, na verloop van welke het feit van krijgstuchtelijk vergrijp in militair misdrijf overgaat, loopen intusschen zeer uiteen." Zeer juist, maar valt het ongerijmd^ van eene dergelijke wetgeving, uit gemakzucht aldus gemaakt, niet op? Terwijl, om de bepalingen aan ons nog niet ingevoerd Wetboek van Militair Strafrecht van 27 April 1!)03 te ontleenen, in art. 82, 1° als kenmerken — elementen — van desertie worden genoemd „het zich verwijderen met het oogmerk om zich voor goed aan zijne dienstverplichtingen te onttrekken, het oorlogsgevaar te ontgaan, naar den vijand over te loopen of zonder daartoe gerechtigd te zijn, bij eene andere mogendheid of macht in krijgsdienst te treden," is volgens artikel 82, 2e deserteur „wiens ongeoorloofde afwezigheid in tijd van vrede langer dan dertig, in tijd van oorlog langer dan vier dagen duurt." Het opzettelijk zich verwijderen met een oog-

') Handelingen 1900 I. blz. 210—306.

'') Voor vrijwillig dienenden is het een contractbreuk, voor militieplichtigen schending van burgerplicht.

") T. a. p. blz. 223.

Sluiten